Vondsten bij het uitzoeken van de kwartierstaat

Kwst Zuiderent-van Wijgerden

 

 Home

 

copyright ©2004  A. Zuiderent

 

 

Vondsten bij het uitzoeken van de kwartierstaat 1

Kronkellijnen. 2

Westlandse voorouders. 2

De Hoogh-van Arkel link. 2

De Cock-Châtillon. 2

Cranendonck-van Horne. 3

Hordijck-van Wassenaer 3

Louwensz-van Dalem.. 3

Verschillende families van Strijen. 3

De heren van Moerkerken. 4

Kruisvaarders. 4

De Heilige Arnoldus. 5

De Schoolmeester 5

Ongeliefde bijbaantjes. 6

Conflicten met de kerkeraad. 6

Schoolmeesterfamilies. 7

Zo de ouden zongen... 7

In de ban gedaan. 7

Oproerkraaiers. 8

Rebellerend voorgeslacht 8

Apart op Weg. 9

Hagepreken. 9

Brief aan de koning. 10

Vrije groepen. 10

Emigratie naar Amerika. 10

Doopsgezinden. 11

Onderstroom.. 11

Waterlanders. 12

Martelaren en opstandelingen. 12

Martelaren en andere theologen. 13

Opstand tegen Spanje. 13

Leiden in last 14

Spaans bloed. 14

Kruistochten. 15

Het voorspel 15

De Eerste Kruistocht 15

Een nieuw vaderland in de Oriënt 16

Hollandse kruisvaarders. 17

De schatten van Constantinopel 17

Heilige voorouders. 18

Karolingen. 18

Merkwaardige heiligen. 19

Nationale heiligen. 19

Zwitserse heiligen in Zürichgau. 20

Utrecht, via Speyer verbonden met Zwitserland. 20

Koenraad’s hart als middelpunt 21

De Saliers te Speyer 21

Zwitserse koningen?. 21

Verwantschap met het huis van Oranje. 22

Slechts 12 generaties verwijderd via von Bernsau. 22

Met 16 generaties via van Dalem naar Oranje. 23

Verwantschap met burgerlijke aangetrouwden. 24

De (erf-)schepenen Jacob van Utrecht en Trier 25

 

 

 

Kronkellijnen

 

Een van de meest interessante ervaringen bij het samenstellen van deze kwartierstaat was het feit, dat je nogal eens de voorouders vindt die je vermoed had, maar volgens heel andere lijnen dan gedacht. Als illustratie van dit verschijnsel een paar voorbeelden.

 

Westlandse voorouders

Bij de eerste Zuiderents is bij de leenopvolging sprake van een half huis samen met Jan van Hodenpijl. Verder blijkt een Zuiderent met een ankerkruis te zegelen.  Wat ligt er meer voor de hand dan te denken aan een familierelatie met het geslacht van Hodenpijl, en wellicht met iemand uit het geslacht van Oegstgeest, die met een ankerkruis zegelden? En inderdaad komen we in de kwartierstaat ridder Dirk van Hodenpijl, heemraad van Delftland, vermeld 1360/1406 en zijn voorgeslacht tegen. Verder vinden we in De Kethel een IJsbrant Dircxs, ovl. 1457/67, aan wie naderhand als wapen een ankerkruis (Van Oegstgeest) werd toegekend en die via zijn moeder van een Willem van Oegstgeest, vermeld in de Lier, afstamt. Daarmee lijkt de zaak perfect te zijn, ware het niet dat deze mensen niet als voorouders van de Zuiderents gevonden werden maar van de familie Baars...

 

De Hoogh-van Arkel link

Zoals bekend is er een vermoedelijke link tussen de families de Hoog en van Arkel, zie Karel de Grote reeks 78. Nu komen we reeds in de 5e generatie een Adriaantje de Hoog tegen, waarvan de voorouders uit het land van Altena stammen. Een link met genoemde lijn ligt dus nogal voor de hand, ware het niet dat deze tak niet bepaald welgesteld was, waardoor ze nauwelijks in de boeken voorkomen. En toch komt de genoemde link van de Hoog met van Arkel in de kwartierstaat voor. Dit echter niet via Adriaantje de Hoogh, maar via Marigje Kooijwijk, de vrouw van Gijsbert van Wijgerden.

 

De Cock-Châtillon

Bij de Brakelse familie van Wijgerden kom je zowel via de heren van Brakel als via de heren van Hemert bij het geslacht de Cock terecht. Nu voeren zowel Rudolf II de Cock van Weerdenburg als Gijsbert de Cock van Hemert het wapen van de Franse familie de Châtillon. Ook bij verschillende dorpswapens in die buurt vindt men het Châtillon wapen terug. Volgens een legende zou de familie de Cock van het geslacht de Châtillon stammen, bewezen is dit echter niet. Rudolf I de Cock zou met Otto van Gelre uit Frankrijk gekomen zijn en veel goederen van hem in leen gekregen hebben. Anderzijds claimen van Hemert kenners, dat Gijsbert de eerst bekende de Cock moet zijn geweest. Hoe dit ook zij, je verwacht op een gegeven moment de Châtillons in de kwartierstaat en die zijn er inderdaad ook: Adelheid van Châtillon, vrouw van Willem IV van Garlande, met haar voorouders . Merkwaardigerwijze komen we daar echter niet via van Wijgerden en de Cock, maar via Zuiderent en d’Argenteau.

 

Cranendonck-van Horne

Daar in de kwartierstaat veel verbindingen met het geslacht Cranendonck uit Zuid-Holland voorkomen en deze met het wapen Van Horne-Altena zegelen, denk je nog eens de graven van Horne in de kwartierstaat te krijgen. Nu is sinds “Ons Voorgeslacht” van september 2004 als oudste voorvader van de Cranendoncks een pastoor Roelof van Emmichoven bekend, die dan op zijn beurt weer van de van Hornes lijkt af te stammen, maar veel verder kom je daarmee eigenlijk niet. Toch duiken de van Hornes in de kwartierstaat op, en wel als voorouders van Ott Jans van Brakel en van Lutgard van Wulven. Dit weliswaar in lijnen met zwakke schakels, maar in ieder geval heel ergens ander dan gedacht.

 

Hordijck-van Wassenaer

Het nageslacht van de 16e eeuwse Barendrechtse landbouwer en heemraad Adriaen Jacobsz (Hordijck) ontleent zijn naam aan de Hordijk tussen Barendrecht en IJsselmonde. Adriaen en zijn broer Willem zegelden met gevierendeeld, I en IV in rood drie zilveren wassenaars; II en III in blauw een gouden dwarsbalk, wat overeenkomt met het volle wapen van de familie van Wassenaer. Ook  bij de restauratie van de Barendrechtse dorpskerk in 1960 kwam dit wapen – precies zoals het beschreven was – weer te voorschijn. Volgens een oude legende zou een jongere zoon uit het geslacht van Wassenaer bij een gevecht "over de Hordijk gejaagd" zijn, en zich naar die dijk genoemd hebben. Een andere theorie is, dat de Hordijcks een wapen gebruikt hebben, dat in een (vroeger) aan de familie van Wassenaer toebehorende boerderij ingemetseld was. Hoe dit ook zij, we vinden via deze Adriaen, die 18 maal in de kwartierstaat voorkomt, helaas geen lijn naar de van Wassenaers. Toch komen de van Wassenaers verschillende keren in de kwartierstaat voor, weliswaar niet via Hordijck, maar via van Hodenpijl, van Dongen en van Wulven.

 

Louwensz-van Dalem

Sebastiaen Louwensz, hoogheemraad van Barendrecht in 1574, en dijkgraaf van West-Barendrecht en Carnisse 1576/84, ligt begraven in de Barendrechtse kerk onder een zerk met grafschrif en wapen.  Aan de onderzijde van de zerk staat links: "VDALEM" en rechts: "GRAF". Slijkerman stelt met recht de vraag of hij wellicht een telg uit het geslacht van Dalem was, wat echter helaas niet vastgesteld kon worden. Hoewel we dus geen lijn naar van Dalem via Sebastiaen konden vinden, zien we van Dalem toch in de kwartierstaat opduiken via Oerlemans-van Ghils-van Dongen.

 

Verschillende families van Strijen

De naam van Strijen komt nogal eens in de kwartierstaat voor, dit is ook te verwachten in de buurt van het gelijknamige dorp. Zo is er een Zebedeus Jans van Strijen met zijn familie, een  Jan Joosten van Strijen, die met een adelaar zegelt en zelfs een patriciërsfamilie van Strijen uit Leiden. Maar ook de laatste zorgt niet voor een verbinding met de adelijke heren van Strijen, daar Adriaan Quirijnsz van Strijen met voornaam en geslachtsnaam naar de eerste echtgenoot van zijn moeder vernoemd was. En toch duiken de adelijke van Strijens in de kwartierstaat op, o.a. onder de voorouders van Zweder van Heenvliet.

 

De heren van Moerkerken

De naam Lodewijk Vranksz van Praet, heer van (het Vlaamse) Moerkerken, is onlosmakelijk aan de (her-)inpoldering van de Hoeksche Waard verbonden. De van Praets voerden als wapen in goud een rood schuinkruis belegd met 5 schelpen, het huidige wapen van Mijnsherenland, oorspronkelijk “Mijnsherenland van Moerkerken” geheten. Nu komen we in de kwartierstaat 3 Hoeksche Waardse families van Moerkerken tegen, ten eerste een 's-Gravendeelse schoolmeestersfamilie, waarvan de sporen naar Zeeuws-Vlaanderen voeren, dan de familie van Philip Cornelisz Moerkerken uit Zuid-Beijerland en tot slot een Jacob Pieters Moerkerken uit Strijen. Het lijkt niet uitgesloten, dat één of meer van deze families van de heren van Praet afstammen, er werd echter geen verbinding gevonden. Toch komen de heren van Praet in de kwartierstaat voor, beginnend met Boudewijn I van Praet, vermeld 1153/74, via de tempelridder Boudewijn II tot Frank van Praet, schoonvader van Wolphard I van Borselen. Dus ook hier weer via een geheel andere lijn dan verwacht.

 

Kruisvaarders

Bij het wapen van de familie Zuiderent krijg je nogal eens de vraag of ze kruisvaarders waren. Immers wekken vorm en kleur van het kruis die associatie op. De vorm van het kruis was oorspronkelijk zelfs bijna gelijk aan dat van de tempeliersorde, maar de kleur van het Zuiderent-wapen was niet bekend:

 

                  Templerkreuz                         Vlaardingen                                       image004

            Het kruis van de Tempeliersorde,                     Wapen van Cornelis Ariensz                         Familiewapen Zuiderent           

                  in 1120 opgericht om pelgrims                       Suijderent als schepen van                            ontworpen op grond van het

                  naar Jeruzalem te beschermen                          Vlaardingen 1703/1706                            wapen van Cornelis Suijderent       

 

                (De eerste 2 wapenbeelden vindt men met bronvermelding bij de generaties 30 en 11a, beide aan het eind van de betreffende

                file, de derde onder home. Een verdere afbeelding van het wapen vindt men op de grafzerk in Maasland).

 

Bijzonder is echter wel, dat we juist in het kwartier Zuiderent vrij veel kruisvaarders tegenkomen, met name ook koning Boudewijn II van Jeruzalem (onder wiens bewind de orde werd opgericht) en zijn dochter koningin Melisende van Rethel. (Verdere kruisvaarder-voorouders zijn op het Engelstalige gedeelte van deze page vermeld). Maar de lijn naar deze mensen gaat niet via de oude generaties Zuiderent die dit wapen gebruikten, maar via verschillende vrouwelijke afstammingslijnen.

 

Sinds de Vlaardinger vondst van een voorvader, die daar ten tijde van graaf Dirk III leefde, lijkt een verbinding van de vroege Zuiderents met de kruistochten niet meer geheel uitgesloten. Dirk III maakte al pelgrimsreizen naar Jeruzalem, zijn nakomeling Floris III sneuvelde tijdens de Derde Kruistocht te Antiochië. Ook diens zoon, graaf  Willem I, nam 2 maal aan een kruistocht deel, voor het laatst in 1217 (Vijfde Kruistocht), waarbij de haven van Vlaardingen als verzamelplaats van de vloot diende. Men leefde dus dicht bij dit gebeuren, wellicht waren er familieleden bij betrokken. Sommigen vermoeden zelfs een vestiging van de tempeliersorde bij Vlaardingen, zie: Tempeliers. Ook is een verbinding met de Duitse Orde denkbaar, die in Maasland haar Commanderij had. Dit alles is echter vrij speculatief. Het ankerkruiswapen is in de familie gekomen via de familie Van Oogstgeest. Zij voerden een rood ankerkruis op een veld van goud. Als er een verbinding met kruisvaarders zou zijn, dan zou deze met genoemde familie te maken moeten hebben. Hiervan is zover wij weten echter niets bekend.

 

De Heilige Arnoldus

Het zoeken van de oorsprong van voornamen is nog een leuke bezigheid. Zo bleek mijn voornaam Arnold(us) generaties lang telkens door de grootvader van de moederskant verder gegeven te zijn, tot ik bij Arnoldus Sanders van Wel op dood spoor liep. Ergens denk je dan bij één van de heilige Arnoldussen aan te komen, maar dat valt tegen. En toch komt de heilige Arnoldus (ofwel Arnulf) van Metz eindeloos vaak in de kwartierstaat voor. Wellicht komt de naam er uiteindelijk toch vandaan....

 

 

 

De Schoolmeester

 

Bij het zoeken naar voorouders zijn schoolmeesters een dankbaar onderwerp, daar ze vaak sporen in kerk- en gemeenteraadsnotulen nagelaten hebben. Nadat oorspronkelijk de pastoor, en vervolgens de koster, voor het onderwijs aan de kinderen verantwoordelijk waren, volgde later de (dorps-) schoolmeester, die in de regel zowel in dienst van de gemeente als van de kerk stond. Als iemand al van overheidswege betaald werd, was met het geven van onderwijs de kous niet af. Waarom zou zo iemand immers minder werken als een ander? Er hoorden daarom allerlei bijbaantjes bij, van grafdelver tot voorzanger.

 

Zo blijkt in het begin van de 18e eeuw de ’s-Gravendeelse schoolmeester Dirk van Moerkerken de kerkelijke bijbanen van koster, grafdelver, voorzanger en voorlezer te hebben. De Maasdamse schoolmeester Arnoldus Verné (aan wie ik mijn voornaam te danken heb) ontvangt omstreeks 1780 een tractement als koster, voorlezer en voorzanger. Verder wordt hij geregeld voor het opwinden en onderhoud van het torenuurwerk betaald. Wat meer details zien we bij Dirks vader, Hendrik van Moerkerken. Zijn inkomsten bedragen 87 gulden per jaar voor het schoolgeven en klokluiden, 5 gulden voor het bezorgen der stoven en het gestoelte van de heren schout en schepenen in de kerk, en 3 gulden voor het schoonmaken der dorpsstraten en stoepen. Daarnaast blijkt hij de zorg over het kerkhof te hebben.

Ongeliefde bijbaantjes

Nu waren deze bijbaantjes niet altijd even geliefd, menig schoolmeester probeerde er onderuit te komen. Zo wil Henricus Laverge, vanaf 1721 schoolmeester te Ophemert, in tegenstelling tot zijn voorganger de kerk niet zelf schoonmaken, maar laat dit aan een ander over. Laverge, telg uit een Frans Hugenotengeslacht, zorgt voor ellenlange kerkeraadsnotulen, waarbij zijn gedrag – er waren blijkbaar meer problemen – er toe voert, dat hij bij zijn afscheid  in 1748 in feite niet meer getolereerd wordt.

 

Hendrik van Moerkerken pakt het diplomatieker aan: hij slaagt er in 1700 in, tot schepen van zijn dorp verkozen te worden, waarna hij merkwaardigerwijze tot het bestuur behoort, waaraan hij zelf verantwoording schuldig is. Hij zal waarschijnlijk wel geen stoepen meer schoongemaakt hebben! Ook Arnoldus Verné zoekt het later in de politiek. In 1791 wordt hij tot collecteur van de gemeentemiddelen benoemd en in 1798  tot “municipaal”, de Franse term voor gemeenteraadslid. Arnold blijkt intussen van prinsgezinde tot patriot bekeerd te zijn: hij ondertekent een verklaring van “afkeer van het stadhouderlijk bewind”. Daarbij had hij een paar jaar eerder nog de eed op het stadhouderschap bekrachtigd! Zo liet men blijkbaar (ook) in die tijd zijn jasje naar de wind waaien om interessanter werk te krijgen.           

 

Conflicten met de kerkeraad

Schoolmeesters werden nogal eens bij de kerkeraad op het matje geroepen, waarbij men soms naar het wapen van de banvloek greep. Zo wordt Michiel van Moerkerken, sinds 1665 schoolmeester te ’s-Gravendeel, vanwege “hardnekkige ongehoorzaamheid” van het avondmaal uitgesloten. Eén van de redenen is, dat hij geen attestatie van zijn vorige gemeente Terneuzen kan (of wil) overleggen.

 

De combinatie van gemeentelijke en kerkelijke ambten zorgde uiteraard ook voor spanningen tussen kerkeraad en gemeentebestuur. Zo wordt Michiels kleinzoon Dirk van Moerkerken door de gemeente aangesteld zonder overleg met de kerk. Daardoor onstaat er een conflict tussen het gemeentebestuur, dat de aanstelling van een schoolmeester moet regelen, en de kerkeraad, die vanouds verantwoordelijk is voor de aanstelling van een koster, grafdelver, voorzanger en voorlezer. De in gebreke gebleven schout moet uiteindelijk beloven, in het vervolg - naar oud gebruik - de verkiezing van een schoolmeester met de kerkeraad te coördineren.

 

Voor een bijzonder conflict zorgt Adriaen Kieboom, die in 1588 wordt aangesteld als schoolmeester te Mijnsheerenland. Hij krijgt al direct onenigheid met de predikant, daar zijn uitlatingen “niet in overeenstemming met zijn beroep” zouden zijn. Na drie maanden wordt hij al overgeplaatst (lees: verbannen) naar de nabije Sint Anthoniepolder. Blijkbaar is ook daar zijn levenswandel wat buitengewoon voor een leerkracht, want in 1599 komt de kerkelijke classis er achter dat Adriaen “tapt” in de Polder. Hij blijkt daar “een drinckhuijs” te exploiteren, uiteraard geen goed voorbeeld voor de schooljeugd. Adriaen wordt van zijn functie ontheven en tot gemeentebode benoemd, een waarlijk sociale oplossing voor die tijd.

 

Schoolmeesterfamilies

Soms ging het schoolmeestersberoep van vader op zoon over, zoals bij de familie van Moerkerken, die we drie generaties lang in dezelfde functie zien. Bij de familie Verné was vader Jacobus schoolmeester te Westmaas, zijn zoon Arnoldus te Maasdam. Hoewel je bij de naam Verné Franse voorouders zou vermoeden, bracht nader onderzoek de Engelse zeeman John Farney als stamvader aan het licht. Zo zie je namen soms in de loop der tijden veranderen.

 

Een grote schoolmeestersfamilie vormden de van Hemerts. Talrijke telgen uit dit geslacht, waarvan de afstamming terug gaat tot op de (kasteel-) heren van Hemert, kozen dit beroep, waarmee deze familie zich door het hele land verspreidde. Ik kwam ze niet alleen in Wijk en Aalburg, Hurwenen, Brakel en Asperen tegen, maar ook in Amsterdam.

           

Soms lijkt de openbare administratie door de familieverhoudingen tot een privézaakje te ontaarden. Zo bij Maurits Versteegh, dorpsschoolmeester te Leersum, die daar tevens het begraafboek bijhield. Hij tekent in 1768 bij het begraven van zijn vader op: "vader van degene die dit schrijft", en wel zonder naam erbij. Voor latere onderzoekers natuurlijk een puzzel om uit te vinden wie er overleed. Zijn zoon, eveneens schoolmeester aldaar, schrijft dezelfde spreuk bij diens ouders, maar dan wel – ook schoolmeesters leren er blijkbaar bij – voorzien van de naam van de overledene.

 

 

 

Zo de ouden zongen...

 

Het is soms frappant, hoe de geschiedenis zich herhaalt. Mensen beleven vaak dingen die hun voorouders ook reeds beleefd hebben, of ze vertonen eigenschappen, die zich over vele eeuwen in de familie lijken voort te planten. Ook wanneer zulke dingen wellicht op toeval berusten, is het toch vaak interessant, dergelijke weerkerende gebeurtenissen te ontdekken.

 

Zo leefde er van 1673 tot 1752 in het dorp Puttershoek bij Dordrecht een vrouw, die Anna Hartigveld heette. Op tienjarige leeftijd verloor ze haar moeder, zes jaar later haar vader, die beurtschipper was tussen Puttershoek en Rotterdam. Anna erfde het schippersbedrijf met het daarbij behorende pand "Van Ouds 't Schippershuis". Een paar jaar later trouwde ze met schipper Teunis Roos, die met haar het familiebedrijf voortzette.

In de ban gedaan

Teunis en Anna moeten een zekere invloed in de Puttershoekse kerk uitgeoefend hebben. Zoals zijn schoonvader was ook Teunis diaken en elk jaar werden op Oudjaarsdag de collectebussen voor de armen ten huize van Teunis en Anna geopend.

 

Maar Anna blijkt geen gemakkelijke tante geweest te zijn: ze krijgt ruzie met dominee Willem van Krimpen. De vijandelijkheden lopen in 1712 zover op, dat de dominee Anna in de ban doet. Ze wordt uitgesloten van het heilig avondmaal omdat ze de predikant “goddeloos heeft bejegend met obstinate laster”...

Anna draait bij, doet schuldbekentenis en na een verzoening wordt ze weer tot het avondmaal toegelaten. Merkwaardigerwijze wordt echter dominee van Krimpen een paar jaar later afgezet. Zou het misschien een laat succes geweest zijn van Anna’s campagne tegen hem, of wellicht haar late wraak? In ieder geval blijft zij haar “ambt” houden: zelfs na de dood van haar man in 1743 worden de collectebussen nog steeds bij haar thuis geopend.

 

Anna’s grootmoeder van moederszijde stamde uit een Dordts regentengeslacht, misschien een reden dat Anna niet met zich liet spotten. Na ver doorzoeken onder haar voorouders stuitte ik merkwaardigerwijze op een soortgelijk karakter. Eén van haar voorouders bleek de Duitse koning en latere keizer Hendrik IV te zijn, bekend door zijn boetegang naar Canossa. Hij raakt in de “investituurstrijd” verwikkeld, een machtsstrijd tussen de keizer en de paus in het Heilige Roomse Rijk over de vraag wie de zeggenschap had over de benoeming van bisschoppen. Hendrik liet zelfs de paus afzetten en werd daarop in 1076 in de ban gedaan, ofwel geëxcommuniceerd. Ook hij draait bij en begeeft zich in de winter met zijn vrouw naar Canossa om de paus vergeving te vragen en opheffing van de ban te bereiken. Drie jaar later zet hij echter de paus nogmaals af en benoemt een tegenpaus die hem te Rome tot keizer kroont.

 

Merkwaardigerwijze precies hetzelfde patroon als bij Anna Hartigveld: ruzie, banvloek, schuldbekentenis en vergeving, en dan toch terugslaan...

 

Oproerkraaiers

In juli 1787 vond te Oud-Beijerland een volksoproer plaats, waarbij aanhangers van de Prins van Oranje hun woede koelden op de Patriotten die over hen heersten. Er werden heel wat woningen van Patriotten geplunderd, de boel werd kort en klein geslagen. Eén van de aanvoerders was de 36-jarige Teunis Hoek, een parlevinker, die met zijn kleine bootje aan de voorbijvarende schepen op de Oude Maas zijn koopwaar verkocht. Teunis had een moeilijke jeugd gehad, was op 3-jarige leeftijd reeds wees, waarna hij werd uitbesteed bij verschillende gezinnen, die dan van de diaconie geld voor zijn “mondkost en onderhoud” ontvingen. Deze levensloop zal wellicht tot zijn rebellerend karakter hebben bijgedragen.

 

Het volksoproer wordt neergelagen en de groep aanvoerders, waarvan Teunis de oudste is, wordt berecht. Teunis moet voor de Hoge Vierschaar verschijnen, hij heeft o.a. vernielingen gepleegd, "Oranje boven, hoezée" geroepen en mensen bedreigd. Hij zou zelfs geschoten hebben op de te hulp geroepen schutters uit Dordrecht. Er wordt een hoge straf geëist: ophanging op het schavot voor het raadhuis en transport van het lijk naar het galgenveld om aldaar aan de buitengalg opgehangen te worden, “anderen ten voorbeeld en ten schrik, totdat het door de lucht en de vogels des hemels zal zijn verteerd”.  

 

Hoewel een historische roman in detail beschrijft hoe Teunis op het vonnis reageert en hoe het vonnis wordt voltrokken, stelde ik merkwaardigerwijze vast, dat Teunis nog 31 jaar geleefd heeft. Het vonnis zal milder uitgevallen zijn dan de eis of wellicht werd hem gratie verleend. Een half jaar later kwamen trouwens de Prinsgezinden weer aan de macht.

Rebellerend voorgeslacht

Hoewel Teunis uit een eenvoudig gezin stamde, bleek hij – via een Delftse nachtwaker en een schout – een verre nakomeling te zijn van ridder Arnoud van Hodenpijl, heemraad van Delftland. Nu was deze niet direct een rebel, maar hij was wel één der belangrijkste leden van de verliezende Hoekse partij bij de Hoekse en Kabeljouwse twisten. Arnoud brengt het er weliswaar levend van af, maar zijn goederen worden in 1351 geconfisqueerd en zijn stamslot wordt verwoest. Later wordt een gedeelte van zijn goederen na een verzoening met graaf Willem V weer teruggegeven.

 

Maar daarmee niet genoeg: zoeken we verder onder Teunis’ voorgeslacht, zo komen we bij Bernard van Italië terecht. Deze werd in 813 door zijn grootvader Karel de Grote tot koning der Longobarden benoemd als opvolger van zijn overleden vader Pepijn. Vier jaar later passeert zijn oom Lodewijk de Vrome hem echter bij de nieuwe indeling van het rijk, waarna de 19-jarige Bernard tegen Lodewijk in opstand komt. Bij deze rebellie moet Bernard het onderspit delven. Zijn leger wordt te Châlon-sur-Saône verslagen en Bernard wordt ter dood veroordeeld. Maar ook hier wordt het oordeel niet voltrokken, oom Lodewijk begenadigt zijn neefje en verzacht zijn lot tot het uitsteken van zijn ogen.... Deze ingreep overleeft de jonge Bernard echter niet, hij overlijdt aan de gevolgen ervan en wordt in de basiliek van Saint-Ambroise in Milaan begraven.

 

Valt nog toe te voegen, dat oom Lodewijk de Vrome, zoals zijn bijnaam al aanduidt, een zeer religieus man was. Door deze gebeurtenissen verviel hij in een diepe depressie en hij legde een openbare schuldbelijdenis af, zoals de kerkelijke wetten het van een delinquent eisen. Ook de latere opstand van zijn zonen tegen hem ziet hij als een straf van God vanwege zijn zondige levenswandel, hij laat die gebeurtenissen dan ook vrij passief over zich heenkomen.

                                                               

 

 

Apart op Weg

 

In een tijd van “Samen op Weg” en de daaropvolgende kerkfusie, kunnen we ons nauwelijks meer voorstellen hoe diezelfde kerken eens uit elkaar gingen. Het begin, de Afscheiding van 1834 uit de Hervormde Kerk, ligt tenslotte al weer zo’n 5 tot 6 generaties terug. Als amateur-genealoog kom je soms onverwacht mensen tegen, die in zulke gebeurtenissen verwikkeld werden. Je verbaast je dan, dat er in de toenmalige liberale tijd zelfs geloofsvervolging plaatsvond.

 

Reeds in 1797 zien we de kleermaker Willem Baars te Oud-Beijerland met andere kerkleden een protest ondertekenen. Het gemeentebestuur had namelijk een nieuwe kerkmeester benoemd, terwijl deze eigenlijk door de kerkleden gekozen zou moeten worden. Er was dus toen al onbehagen merkbaar over de toenemende zeggenschap van de staat over de kerk. Later gaat Willem mee met de Afscheiding, samen met zijn vrouw en 6 kinderen.

Hagepreken

De kerkdiensten van de Afgescheidenen werden aanvankelijk door de regering van Koning Willem I verboden, overtreding werd met boete of zelfs met gevangenis bestraft. Als reactie hierop hield men veelal “hagepreken” in de open lucht of vergaderde in een schuur. Wijnant Bok te Poederoijen stamde uit een familie, die sinds generaties in de buurt van slot Loevestein landerijen bezat. In zijn boomgaard vindt in 1835 een illegale Afgescheiden kerkdienst plaats, waar de bekende – later naar Amerika geëmigreerde – dominee Scholte voorgaat. De vergadering blijft blijkbaar niet onopgemerkt: Wijnant wordt beboet, evenals ds. Scholte en twee verdere aanwezige ambtsdragers. De boete bedraagt 60 gulden per persoon, voor die tijd een aanzienlijk bedrag.

 

Het bleef echter niet bij boeten. Op 23 augustus 1835 houdt ds. Scholte weer een hagepreek, deze keer in een boomgaard te Gameren, bij Zaltbommel. Deze godsdientsoefening wordt door een detachement dragonders te voet en te paard, met getrokken sabels, uiteen gedreven......  De dienst werd bijgewoond door Gijsbert van Wijgerden, boer en boterkoopman uit het nabije Zuilichem. Gijsbert was daar lid van het gemeentebestuur, Hervormd ouderling en kerkvoogd.

Brief aan de koning

Gijsbert kan de gang van zaken niet accepteren en trekt zijn consequenties uit het gebeuren. Hij richt zich in een brief aan “Zijne Majesteit, den Koning der Nederlanden, Prins van Oranje, Groot Hertog van Luxemburg, enz., enz.”, die hij gepast met “Sire” aanspreekt. Op 3 bladzijden rapporteert hij de koning de gebeurtenissen te Gameren en eindigt met: "Zoo echter Uwe Majesteit mogt oordeelen, de vervolgingen der Afgescheidenen te moeten goedkeuren, en hun de nodige bescherming te ontzeggen, dan neemt hij de vrijheid om Uwe Majesteit zijn ontslag van zijnen post aan te bieden, dewijl hij in gehoorzaamheid aan GOD den KONING der Koningen niet kan en mag deelnemen, is het door toezien en stilzwijgen, aan de vervolging van de gemeente des Heeren. ... dan liever met Gods Volk verdrukt te worden, als de eer, het aanzien, de vriendschap en het genot der waereld te hebben."

 

De secretaris van de koning antwoordt, dat hij zelf de nodige stappen moet ondernemen, als hij zijn functie niet wil continueren, waarop Gijsbert als gemeentebestuurder terugtreedt. Hij verlaat de NH Kerk en stelt zijn ruimtes ter beschikking aan de Afgescheidenen. In zijn boerderij bevond zich later de "theologische kamer" waar ds. F.A. Kok omstreeks 1853 predikanten opleidde. Hier preekte ds. Scholte in 1837 en doopte 30 kinderen uit de wijde omgeving. Voor deze bijeenkomst werd Gijsbert beboet.

 

Vrije groepen

Nadat Willem I in 1840 als koning aftrad en Willem II hem opvolgde, sloeg de wind om. Op bepaalde voorwaarden konden de Afgescheidenen erkenning aanvragen, wat echter tot nieuwe verdeeldheid leidde, daar niet alle groepen deze voorwaarden wilden accepteren.

 

Abraham den Boesterd, landbouwer te Neerijnen, was een zwaar beproefd man. Bij de overstroming van de Betuwe in de winter van 1809, vluchtte hij met zijn gezin in een pereboom, waar 4 kinderen in de armen van hun ouders van de koude bezweken. Abraham en zijn zwangere vrouw overleefden de ramp, waarna ze toch weer 10 kinderen kregen. Hun boerderij Oud-Snellestein werd na de Afscheiding van 1834 gedurende ruim 80 jaar een middelpunt voor vrije kerkelijke bijeenkomsten, waar vrije predikanten zoals ds. Ledeboer voorgingen. Zo bleef deze groep in een schuur vergaderen, toen de Afgescheidenen reeds lang als kerk erkend waren.

 

Emigratie naar Amerika

Grote groepen afgescheidenen emigreerden naar de Verenigde Staten. Eén der initiatiefnemers was de bovengenoemde ds. H.P. Scholte, die in 1847 naar de prairiestaat Iowa emigreerde, waar hij bij Des Moines de stad Pella stichtte, van waaruit later o.a. de in Sioux County gelegen kolonie Orange City gesticht werd. Ds. Scholte, een bemiddeld man van grote eruditie, bleek als kerkelijk leider niet bijzonder te slagen, des te meer echter als hereboer, ondernemer, eigenaar van zaagmolens en fabrieken, advocaat en politicus. Aanvankelijk democraat, behoorde hij later tot het republikeinse congres, dat in 1860 Abraham Lincoln tot presidentschapscandidaat koos. Het economisch succes van de emigratie naar Iowa zou dan ook grotendeels aan Scholtes ondernemerschap te danken zijn geweest.

 

In Nederland had ds. Scholte zijn aanhang niet alleen in Gelderland maar ook in Zuid-Holland, vanwaar veel volgelingen met hem meegingen. Zo zien we de Zuid-Beijerlandse kleermaker Kommer de Hoog jr., zoon van Kommer de Hoog en Adriaantje Verné, in october 1846 met de driemaster Wakema via New Orleans en verder over de Mississipi naar Iowa vertrekken. Hij behoorde tot de door ds. Scholte gestuurde voorhoede van een grotere groep emigranten, die in 1847 zou volgen. Onder hen was Cornelia Wilhelmina Blok, een dochter van Adriana Jans Oerlemans. Zij vertrok met haar man, de ’s-Gravendeelse vlasboer Melis Visser, kompleet met gezin en knecht in april 1847 met het barkschip Nagasaki via Baltimore naar Pella. Het gezin keerde echter na 2 jaar terug, daar Cornelia niet aan het prairieleven kon wennen. Bij deze emigranten was ook Leendert Moret, een broer van Teuntje Moret. Veel emigranten volgden later, zoals de Numansdorpse landbouwer Paulus den Hartigh, zoon van Paulus den Hartigh en Bastiaantje Groeneweg,  die in 1904 naar Amerika emigreerde. Hij ging echter niet naar Iowa, waar twee zusters van zijn vrouw Janna Monster een nieuw vaderland hadden gevonden, maar naar Yakima County in de staat Washington.

 

 

 

Doopsgezinden

 

De Wederdopers hebben, vooral door hun rebelse optreden rond 1534-35 te Amsterdam en Münster, een nogal slechte naam gekregen. Onder hun latere leider Menno Simons (naar wie ze wel Mennonieten genoemd worden) legden ze de nadruk op de bergrede en onthielden zich verder van wapengeweld. Desondanks werden ze vervolgd, met als gevolg dat vele naar Amerika uitweken (waar Zwitserse geloofsgenoten de gemeenten der Amish in Pennsylvania stichtten). In Zwitserland was overigens de vervolging eerder sterker en vooral langduriger. Toch overleefden sommige groepen in het Emmental maar vooral in de Jura, waar hen het vorstbisdom Basel asyl verleende, zover ze zich boven 1000 meter vestigden en hun geloof niet openlijk leefden....

 

Mennonieten kenmerkten zich vaak door een zekere wereldmijding, waren tegen verzekeren enz. Daar voor hen een persoonlijk geloofsleven, op basis van eigen kennisname van de bijbel, primair was vond de doop pas plaats nadat de mondige gelovige zijn geloof had beleden. De zaligmakende rol van de kerk was in deze opvatting quasi verdwenen, waardoor juist dit geloof sterk botste met de R.K. Kerk. De Dopersen blijken dan ook in het begin van de Reformatie in Nederland de spits afgebeten hebben. Het is opvallend, dat onder protestantse vervolgden en martelaars het aantal Doopsgezinden verhoudingsgewijs hoog lag.

 

Onderstroom

In de Gereformeerde kerken (later Hervormd genoemd) is altijd een Doperse onderstroom blijven bestaan, met de nadruk op geloofsbeleving en bekering. Eén van de redenen is wellicht, dat veel Dopersen – die lange tijd maatschappelijk benadeeld werden – later Gereformeerd zijn geworden. Ze zullen gemakkelijker hun kerk dan hun overtuiging verwisseld hebben. Het is dus geen wonder, als je in traditioneel Gereformeerde geslachten niet alleen Doperse invloeden, maar soms ook verre Doopsgezinde voorouders tegenkomt.

 

Jacob Braber bv. wordt in 1610 in het Brabantse Gastel R.K. gedoopt. Jacob is boer en verhuist naar de nieuw drooggelegde gebieden van Goeree. Bij zijn huwelijk te Middelharnis in 1629 staat aangegeven, dat het echtpaar de Mennonitische godsdienst belijdt. Desondanks worden hun kinderen op jonge leeftijd in de Nederduits Gereformeerde Kerk gedoopt. Zouden ze hun nieuwe religie zo snel weer verwisseld hebben?  Of hebben ze misschien gedaan wat maatschappelijk van hen verwacht werd en bleven ze thuis hun Doperse ideeën trouw?

 

Pieter Adriaansz van der Werff werd bekend als burgemeester tijdens het beleg van Leiden in 1574. Toen er hongersnood uitbrak en een aantal burgers wilde, dat de stad zich zou overgeven, zou hij in een toespraak gezegd hebben, dat ze dan eerst hemzelf zouden moeten opeten. Minder bekend is het feit, dat Pieter van doopsgezinde huize was. Zijn vader Adriaan, soms Vermeer genoemd, was Doopsgezind leraar. Hij werd in 1537 te Haarlem terechtgesteld (“onthalsd”). Hoewel dus zoon Pieter inzake standvastigheid niet voor zijn vader onderdoet, blijkt hij niet Doopsgezind maar intussen Gereformeerd te zijn.

 

Waterlanders

Anders was het bij de Gemeente der Waterlandse Doopsgezinden te Amsterdam – een nogal open gezelschap met wat vrijere opvattingen – waarvan opvallend veel gegoede kooplieden lid waren. Deze gemeente bleef lang een zekere aantrekkingskracht uitoefenen. Zo sloot zich de uit Oslo afkomstige lakenkoper Claes Anslo, die oorspronkelijk Gereformeerd was, in Amsterdam omstreeks 1580 bij de Doopsgezinden aan. Het ging hem materieel voor de wind, hij woonde op de Nieuwendijk in “‘t Vergulde Schilt” en stichtte Anslo’s Hofje. Naast zijn beroep vond Claes tijd om dienaar bij de Waterlanders te worden.  

 

Claes’ zoon Cornelis Anslo werd in 1616 eveneens dienaar bij deze gemeente. Hij deed zijn eerste “predicatie” als voorganger in 1617 en werd “in vollen dienst bevestigd” in 1624. Van Cornelis, die een begaafd redenaar geweest moet zijn, maakte Rembrandt een ets en een levensgroot schilderij. Dit schilderij van Cornelis, in gesprek met zijn vrouw Aaltje, is in Berlijn te bewonderen, maar uiteraard ook op internet. Ook Joost van den Vondel was een tijd lang Doopsgezind (later werd hij Katholiek) en lid van de Waterlandse Gemeente. Het enige gedicht, dat Vondel over Rembrandt schreef, betreft het portret van Cornelis Anslo:

 

            Ay, Rembrandt, maal Cornelis stem.

            Het zichtbre deel is 't minst van hem:

            't Onzichtbre kent men slechts door d'ooren

            Wie Anslo zien wil, moet hem horen.

 

Rembrandt slaagde er meesterlijk in, Cornelis als spreker uit te beelden: je ziet hem als het ware tegen zijn vrouw Aaltje praten.

 

Deze Aaltje Schouten was overigens ook een telg uit een doopsgezind lakenkopersgeslacht. Dochter Teuntje trouwt in 1637 met de makelaar Jan Del, die Doopsgezind wordt. Als gevolg hiervan wordt deze regentenzoon van alle overheidsambten uitgesloten (tot de Franse tijd bleef dit soort discrimininaties bestaan!). Hun dochter Anna trouwt nog Doopsgezind, maar haar kinderen zien we de Remonstrantse of de Gereformeerde richting uit gaan. Wellicht leefde ook hier nog een stuk Dopers gedachtengoed in de privé-sfeer voort.

 

 

 

Martelaren en opstandelingen

 

Het zoeken naar voorouders kan vrij saai worden, als je slechts namen, datums en woonplaatsen tegenkomt. Spannend wordt het pas, als je ontdekt wat ze gedaan hebben, hun beroep, hun bezigheden, misschien hun geestelijke instelling. Nog interessanter wordt het, als je raakvlakken met de “grote” geschiedenis vindt: waar stonden ze bijvoorbeeld in de tijd van de reformatie en de 80-jarige oorlog? Zwommen ze met de grote stroom mee, stierven ze als martelaar, vochten ze voor de vrijheid?

 

Om kans van slagen te hebben, moet je wel vrij breed zoeken, het beste alle voorouders via vader en moeder (ik neem er ook die van mijn vrouw bij), dan heb je in de reformatietijd theoretisch al zo’n 10’000 voorouders. Daarvan moeten er dan wel een paar honderd te vinden zijn, waarvan er vast een paar iets interessants te vertellen hebben.

 

Martelaren en andere theologen

Tot mijn verbazing kwam ik werkelijk een martelaar tegen, weliswaar een Wederdoper en geen Calvinist, maar toch een martelaar. Deze Adriaan Vermeer, die het beroep van “zeemtouwer” uitoefende, was daarnaast Doopsgezind leraar. Hij verhuisde in 1526 uit Gouda naar Leiden om daar als liefdeprediker de leer van Menno Simons te verbreiden. Soms hield hij ook “oefeningen” in Haarlem, waar hij in 1537 werd overvallen en onthoofd.

 

Nu is het niet bepaald eenvoudig om martelaar te zijn, sommige voorouders zochten zich dan ook iets anders uit, ook als ze het niet met de kerk eens waren. Zo de pastoor Reijner Joosten te Brakel (Gld), die weinig heil zag in het celibaat. Reeds voordat hij in 1516 te Utrecht tot priester werd gewijd, was Reijner – op aandringen van zijn moeder, joffrou Geertruijd van Braeckel  in het geheim getrouwd. De kerkelijke autoriteiten moeten  zich vrij lang om de tuin hebben laten leiden: pas in 1544 spant de Utrechtse curie een proces tegen hem aan om hem het priesterschap te ontnemen. Heer Reijner reist zelfs naar Rome om de paus clementie te vragen. Deze laat hem echter weten dat hij het priesterschap moet opgeven om zich verder aan zijn vrouw en kinderen te wijden. Hij was tenslotte eerst getrouwd en had daarna de priesterwijding helemaal niet mogen ontvangen. Van Reijner Joosten, die het gebod “ga heen en vermenigvuldigt U” nogal letterlijk nam, stamt wellicht het halve dorp Brakel af.

 

Een andere theoloog die ik tegenkwam was Matthias Hoppel, die het geluk had, wat later geboren te zijn. Ook hij was pastoor geweest, en wel te Weijler en Berghe bij Aken, maar hij was met de reformatie meegegaan en getrouwd. Later, tijdens de contra-reformatie, moest Matthias echter als geloofsvluchteling naar de Nederlanden uitwijken, waar hij in 1582 Hervormd predikant te Heerjansdam (ZH) werd. Zoals wel meer met domineeszoons het geval is, bleken zijn zoons carrière te maken: verschillende van Matthias’ nakomelingen treffen we later als schout op de Zuid-Hollandse eilanden aan.

 

Opstand tegen Spanje

Intussen was de opstand tegen Spanje, de 80-jarige oorlog (1568-1648), uitgebroken. Menig latere protestant blijkt in het begin van de oorlog nog Katholiek te zijn, zoals Andries Diericx Aertoom, een "schamele schuytenaer, belast met wijf en cleyne kinderen" te Puttershoek (bij Dordrecht). In 1572 probeert hij met enkele collega's de Geuzen tegen te houden die, na de inname van Den Briel, al plunderend bij Puttershoek zijn aangeland en de kerk in brand willen steken. Andries krijgt een compliment voor goed gedrag van schout en schepenen: hij en zijn collega’s hebben zich "vromelijk gedragen" als "goede catolyken personen".

 

In bovengenoemde streek wordt nog in hetzelfde jaar de patriciërszoon Johan van Nuijssenburg uit het opstandige Dordrecht als gouverneur ingezet. Hij "hadde in den Spaanschen Oorlog, anno 1572, en voorts gedurende zijn leven, de bestiering of 't gouvernement van den heelen Houkzenwaard, totten Briel toe." Ook zijn vader was de staatsdienst niet vreemd: “Willem van Nuijssenburg diende keyzer Karel V, graaf van Holland, 16 maandenlang, op eijgen beurse, met thien knechten te paarde”.

 

Het zuiden van Nederland bleef langer onder Spaanse invloed. Adriaan Beljaerts, meester in de vrije kunsten, was in 1588 door Philips II tot secretaris van Terheijden (bij Breda) benoemd. In 1591 liep zijn positie gevaar, omdat aan zijn trouw aan het Spaanse bewind en het Katholieke geloof werd getwijfeld. Hij weet zich te handhaven o.a. door een verklaring, dat hij "zeer vroom, bequaem en gequalificeerd" is, ook "spreeckende de Spaensche en Fransoysche tale". Adriaan, die tevens schepen en dijkgraaf was, woonde in het "Blockhuijs", een omgracht kasteeltje, en beoefende op zijn weidegronden de vetweiderij, een destijds – vooral in oorlogstijd – lucratieve bezigheid. Zijn nageslacht werd protestant.

 

Leiden in last

Tijdens het beleg van Leiden in 1574 kom ik daar merkwaardigerwijze drie voorouders in de vroedschap (het gemeentebestuur) tegen. De eerste, Quirijn Claes Garbrantsz (zijn kinderen noemen zich “van Strijen”), is schepen en thesarier. Hij komt bij het beleg om het leven (en loopt dus haring en wittebrood mis). De tweede, Olivier Philipszn, is eveneens schepen van Leiden en gasthuismeester. Beide verdienden hun geld in de Leidse lakenindustrie, de één als drapenier, de ander als lakenvolder. De derde, Pieter Adriaansz van der Werff, was in 1568 door Alva verbannen maar werd in 1571 door Willem van Oranje teruggeroepen om de “gemene zaak van Nederland” ter hand te nemen. Hij treedt tijdens het beleg op als burgemeester van de stad. Dit drietal was dus wel zeer direct bij het toenmalige gebeuren betrokken.

 

De laatste twee van deze Leidenaren konden niet vermoeden, dat hun gemeenschappelijke achter-kleindochter Francina Brinck met een dorpschirurgijn zou trouwen, die te ’s-Gravendeel (60 km van Leiden) voor nogal wat nakomelingen zou zorgen. En de eerste van het drietal kan niet geweten hebben, dat zijn kleinzoon, dijkgraaf Nicolaas Adriaansz van Strijen, toevallig in dezelfde buurt een welvarend boerengeslacht zou stichten, waarvan een telg – meer dan 300 jaar na het beleg  van Leiden – verliefd werd op een nakomeling van de chirurgijn.

 

Spaans bloed

Zouden nu die Spanjaarden tijdens de oorlog niet tal van kinderen achtergelaten hebben? In de regel zullen die niet legaal geweest zijn of wellicht als kind van een Hollandse vader zijn geregistreerd. Maar ook hier had ik geluk, en wel vanwege een Spaans soldaat, die in Nederland bleef hangen. Geraldo Grandia kwam in 1572 met het Spaanse leger van de hertog van Alva naar Holland en werd in 1574 gewond tijdens de slag in de Bommelerwaard, bij het slot Loevestein. Hij werd liefderijk verpleegd, waarna hij met een Nederlandse vrouw trouwde. Toen hij na een paar jaar aan Nederlandse zijde sneuvelde, liet hij een zoon Sebastiaan achter, die later te Brakel als ouderling en als dijkheemraad genoemd wordt en stamvader werd van een uitgebreid geslacht.

 

Een collega-onderzoekster vond zelfs het dorpje Vallcebre, hoog in de Spaanse Pyreneën, vanwaar de Grandia’s zouden stammen. Een leuk gehucht met een groot stenen huis, Can Noi van de familie Grandia. De daar levende Joan Grandia, die trots zijn Spaanse familiewapen liet zien, wist te vertellen, dat de naam reeds in de 14de eeuw voorkwam en dat ze een familie van lijfwachten geweest waren. Dat was dus het hout, waaruit de vijand destijds gesneden was....

 

 

 

Kruistochten

 

Een complete lijst van kruisvaarders en pelgrims uit deze kwartierstaat staat op de Engelse versie van de homepage.

 

Zouden onze voorouders met de kruistochten meegelopen hebben? Deze genealogische vraag heeft me altijd al gefascineerd. Iemand die rond het jaar 1100 leefde en 2 kinderen had, die ook weer 2 kinderen hadden, etc, zou nu theoretisch zo’n miljard (ca. 30 generaties, 2 tot de macht 30) nakomelingen hebben, als ze niet onderling zouden trouwen. Maar ook met onderlinge huwelijken zullen het er practisch denk ik vele miljoenen zijn. De kans dat we van kruisvaarders afstammen is daarom erg groot.

 

Het voorspel

Reeds in 333 worden er pelgrimsreizen naar het Heilige Land vermeld, in de 10e eeuw neemt de populariteit ervan sterk toe totdat een reis naar Jeruzalem in de 11e eeuw tot het hoogste religieuze doel van een Christenmens wordt. Tegelijkertijd wordt het bezoeken van de heilige plaatsen steeds meer bemoeilijkt. In 1009 vernielt de waanzinnige kalief Hakim in Jeruzalem de Heilige Graf-kerk, waarop de paus in een encycliek over de herovering van “het Graf” schrijft: de idee van een kruistocht begint te rijpen. Toch duurde het nog jaren, tot de kerk Augustinus’ leer van de “gerechte oorlog” ook voor een kruistocht wilde laten gelden, het moest dan wel een soort heilige oorlog tegen de “heidenen” worden. Ondertussen namen de overvallen op pelgrims hand over hand toe. Geen wonder, dat in de Christenheid vermeerd de roep begon te klinken, om het graf van Christus weer zelf te bezitten en de reizen erheen te beschutten. Het was misschien zoals vandaag met de olie: de aandrijfkracht van het Westen was toen het geloof, waarvan de uitoefening zeker gesteld moest worden.

 

Het startschot tot de kruistocht vormde een aanvraag om militaire hulp door keizer Alexios Komnenos van Byzantium in 1095. Het door hem geregeerde Klein-Azië was intussen door de Turksstammige Seldschuken veroverd. Hoewel Byzantium sinds het Schisma van 1054 kerkelijk van Rome gescheiden was, besluit Alexios de geloofsgenoten in het Westen te hulp te roepen. Om de kans van slagen te vergroten legt hij de nadruk op hulp aan Jeruzalem. Dit argument mist zijn effect niet en wordt door paus Urbanus II gretig overgenomen, waarna hij tot een kruistocht door een ridderleger oproept. De deelnemers wordt aflaat van hun zonden in het vooruitzicht gesteld, wat mede tot een grote belangstelling bijdraagt.

De Eerste Kruistocht

Deze kruistocht, die als Eerste Kruistocht (1096-1099) de geschiedenis is ingegaan, was eigenlijk de enige succesvolle kruistocht. In 1099 werd – helaas met veel bloedvergieten – Jeruzalem veroverd en werden de heilige plaatsen weer toegankelijk gemaakt voor de Europese pelgrims. Er werden vier kruisvaardersstaten gesticht: de graafschappen Edessa en Tripolis, het vorstendom Antiochië en het koninkrijk Jeruzalem. De Christelijke heerschappij in de Oriënt werd pas na bijna 200 jaar in 1291 met de val van Tripolis en Akko definitief beëindigd. Bij deze Eerste Kruistocht vond ik een stel deelnemers, die – hoewel zelf geen Noord-Nederlanders – een groot aantal Nederlandse nakomelingen hebben.

 

Ingelbrecht van Petegem was vaandrig van de graaf van Vlaanderen. Hij neemt aan de kruistocht deel en komt ook weer terug: hij leeft daarna nog meer dan 30 jaar. Of hij nu heel die reis met een vlag of vaandel heeft moeten lopen, vermelden de kronieken niet. Destijds was trouwens de Vlaamse leeuw als wapendier nog niet geboren, die werd volgens de legende pas bij een latere kruistocht in een gevecht op een Mohammedaans vorst veroverd.

 

Steven van Blois was een uitermate rijk maar niet zo moedig man. Bij het acht maanden durende beleg van Antiochië was hij voor de bevoorrading verantwoordelijk. Een dag voordat de stad wordt ingenomen vindt Steven dat zijn taak beëindigd is en vertrekt hij met de noorderzon naar Frankrijk. Blijkbaar heeft hij buiten de waard gerekend: zijn vrouw Adèle (een dochter van Willem de Veroveraar) vindt zijn gedrag beschamend en stuurt hem terug! Steven laat zich na een tijdje overtuigen, bezoekt het intussen ingenomen Jeruzalem, en sneuvelt in 1102 in een gevecht bij Ramula. Adèle gaat later in een klooster.

 

Ook Boudewijn van Henegouwen was bij het beleg van Antiochië van de partij. Hij moet de inname van de stad aan de keizer in Constantinopel gaan melden (ze zullen je zo als postbode misbruiken) maar wordt tijdens deze tocht in Klein-Azië overvallen en vermoord. Ook hij blijkt een kordate echgenote te hebben: zijn vrouw Ida van Leuven begeeft zich als weduwe naar Klein-Azië om daar persoonlijk (maar vergeefs) een onderzoek in te stellen naar het lot van haar man.

 

Een nieuw vaderland in de Oriënt

Eén der aanvoerders van de kruistocht was Boudewijn van Rethel (alias van Bourcq). Hij is de enige van de hier genoemde kruisvaarders die in de Oriënt zijn nieuwe vaderland vindt. Boudewijn wordt in 1100 tot graaf van Edessa benoemd, de oudste der vier kruisvaardersstaten, een land met een Armeens-Christelijke bevolking. Hij trouwt met Morphia van Melitene, een vrouw uit een Armeens vorstengeslacht die hem vier dochters schenkt.

 

Na 18 jaar over Edessa geregeerd te hebben, wordt hij als Boudewijn II tot koning van Jeruzalem verkozen. Zijn voorgangers Godfried van Bouillon en diens broer Boudewijn I waren beide kinderloos gestorven, waarna hun neef Boudewijn van Rethel – als de meest nabije in de Oriënt aanwezige verwant – voor de opvolging in aanmerking kwam.

 

Boudewijn II heeft 13 jaar over het koninkrijk Jeruzalem geregeerd, waarna hij in 1131 in de Heilige Graf-kerk werd begraven. Daar hij de erfopvolging vroegtijdig tot de vrouwelijke lijn wist uit te breiden, kon zijn dochter Melisende hem als koningin opvolgen. Het nageslacht van haar kleindochter, koningin Isabelle van Anjou, zien we zelfs tot het einde van het koninkrijk Jeruzalem in 1291 op de troon. Tijdens Boudewijns regering wordt de legendarische Tempeliersorde opgericht, die de opgave had de pelgrims te beschermen, met name op de gevaarlijke weg van Jaffa naar Jeruzalem.

 

Daarmee leken de doelen van de kruistocht bereikt. De vijand zat echter niet stil, en er zouden nog heel wat tochten volgen, soms met minder duidelijke doelen en twijfelachtige resultaten.

 

Hollandse kruisvaarders

Kwamen we bij de Eerste Kruistocht nog maar weinig Nederlandse voorouders tegen, later blijken zich ook onze Hollandse voorouders naar het Heilige Land te begeven. Zo zien we graaf Dirk VI van Holland in 1138 de relatieve veiligheid tussen de eerste twee kruistochten benutten om, met zijn vrouw Sophia van Rheineck, op pelgrimstocht naar Jeruzalem te gaan. Tijdens deze tocht werd hun zoon  Peregrius (Pelgrim) geboren. Sophia moet de smaak te pakken hebben gekregen, want als weduwe – ze overleefde haar man 20 jaar – bezocht ze nog 2 maal het Heilige Land, waar ze in 1176 overleed en te Jeruzalem begraven werd. In 1173 was ze vergezeld geweest van één van haar zoons, Otto van Bentheim, graaf van Coevorden. Deze had in 1147 reeds aan de Tweede Kruistocht deelgenomen, na de val van Odessa aan de Moslims. Later (in 1189) nam Otto ook nog aan de Derde Kruistocht deel, die werd uitgeschreven, nadat Saladin Jeruzalem terugveroverd had.

 

Het Midden Oosten bleek dus niet tot rust gekomen te zijn, ondanks de oprichting van de Frankische staten. Telkens weer werden er kruistochten uitgeschreven, om de orde te herstellen, vaak met gering succes. Odessa werd niet terugveroverd en ook Jeruzalem bleef nog lang in de hand van de Moslims.  

 

De volgende graaf van Holland, Floris III, maakte in 1187 een bedevaart naar Jeruzalem. Twee jaar later vertrok hij met keizer Frederik Barbarossa tijdens de Derde Kruistocht naar het Heilige Land, waarbij ze beide omkwamen. Terwijl de keizer bij een overmoedige oversteek van een rivier verdronk, overleed Floris in 1190 in Antiochië aan de pest en werd te Tyrus begraven. Gelukkig kwam zijn zoon Willem I, die eveneens bij deze kruistocht van de partij was, heelhuids terug. Deze Willem – als grondlegger van het waterschapstelsel één der belangrijkste graven van Holland –  nam in 1217 ook nog aan de Vijfde Kruistocht deel, en wel om van de ban ontslagen te worden, waar hem de paus om politieke redenen in gedaan had. Hierbij verwierf hij veel roem in Portugal, waar hij Alcacer op de Moren veroverde en in Egypte bij de verovering van Damiate.

 

Soms waren er ook de meest merkwaardige kruistochten, zo bijvoorbeeld in 1234 tegen de boeren in het bisdom Bremen, die weigerden de kerkelijke tienden te betalen en dus als heidenen werden beschouwd. Aan deze expeditie nam ook Floris IV, de volgende graaf van Holland deel, die met 12 jaar zijn vader Willem opgevolgd was. Zelfs na het einde van de kruisvaardersstaten in 1291 zien we nog zeker 300 jaar lang allerlei kruistochten plaatsvinden, zowel binnen als buiten Europa.

 

De schatten van Constantinopel

Uiteraard bevochten we ook vroeger niet alleen de gemeenschappelijke vijand, maar ook elkaar. De Vierde Kruistocht werd hiervan een treffend voorbeeld, toen deze zich in 1204 – onder invloed van rivaal Venetië – onverhoopt tegen het Christelijke Constantinopel richtte, waarbij de stad geplunderd werd. Er werd een Latijns keizerrijk opgericht met graaf Boudewijn van Vlaanderen als eerste keizer.

 

Hoewel vooral de reliquiën van deze stad een enorme aantrekkingskracht uitgeoefend schijnen te hebben, werden er uiteraard ook “aardse” rijkdommen buitgemaakt. Er waren ook Nederlanders van de partij, o.a. ridder Daniël van de Merwede, stamvader van een geslacht waarvan de in Byzantium verworven rijkdom door 15 byzantijnen (munten) in het familiewapen uitgedrukt wordt. Van de verworven weelde zou men bij de financiering van inpolderingen in Holland, waar Daniëls broer dijkgraaf van de Groote Waard geweest zou zijn, wel eens geprofiteerd kunnen hebben...

 

 

 

Heilige voorouders

 

Wie een heiligenkalender bekijkt, komt met wat geluk zijn voornaam tegen en kan zijn naamdag quasi als tweede verjaardag vieren. Nu is het voor mensen met namen als Johannes, Jacobus of Arnoldus vrij eenvoudig een heilige te vinden. Maar ook als je Lijntje heet, een naam die van Cathelijntje schijnt te komen, wat een synoniem van Catharina is, vind je verschillende heiligen. Zelfs met de naam Plony als afkorting van Apollonia kom je op een 2e eeuwse martelares.

 

Bij de protestanten kennen we geen heiligen meer, we kennen ze hoogstens van vroeger. Ze staan echter op zo’n hoog voetstuk, dat we ze nauwelijks als mensen van vlees en bloed beschouwen. Toch waren sommige gewoon getrouwd en hadden kinderen. Ook nu nog zijn er veel nakomelingen van heiligen te vinden, van sommige wel millioenen. Veel genealogen komen na lang zoeken op Karel de Grote als (niet heilige) voorvader en zijn daarmee tevreden. Maar wie doorzoekt stuit ongetwijfeld op verschillende heiligen, in zijn/haar voorgeslacht.

 

Karolingen

Zo was Karel de Grote zelf een nakomeling van de heilige Arnoldus (ofwel St. Arnulf) van Metz, die in de 7e eeuw als hofmeier aan de wieg van de Karolingen-dynastie stond. Arnulf, die bisschop werd nadat zijn vrouw in een klooster ging, leefde later als kluizenaar in Remiremont waar hij lepra patienten verpleegde. Kerkelijke feestdag 18 juli.

 

Arnulf kreeg zelfs nog een heilige schoondochter: Begga, dochter van hofmeier Pepijn de Oude. Ze ging als weduwe in het klooster, en wel in het door haar moeder gestichte klooster Nijvel. Van daaruit stichtte ze zelf een nieuw klooster in Andenne, waarvan zij abdis werd. Kerkelijke feestdag 17 december.

 

In tegenstelling tot de kerkelijke ambten, lijken heilige vrouwen niet minder talrijk te zijn dan mannen, misschien omdat ze meer kans kregen een heilig leven te voeren. Zo’n vrouw was Adelheid van Bourgondië, in 962 te Rome tot keizerin gekroond als echtgenote van Otto de Grote. Zij bevorderde de ontwikkeling van het Duitse kerkwezen en stichtte als weduwe talrijke kloosters. In 1097 werd ze heilig verklaard, haar graf in Selz (Elzas) werd een bedevaartsoord, maar ook in Einsiedeln werd ze vereerd. Kerkelijke feestdag 16 december.

 

Ook Adelheids schoonmoeder, Mathilde van Ringelheim van Westfalen, koningin van Duitsland, was een heilige. Mathilde zou in het klooster Herford door haar grootmoeder zijn opgevoed, die abdis van dit klooster was. Zij stamde uit het geslacht van de Saksenhertog Widukind en stichtte de kloosters Quedlinburg, Nordhausen, Engern en Pölde. Haar vrijgevigheid als weduwe leidde waarschijnlijk tot haar heiligverklaring.

 

Ook Ida van Neder-Lotharingen, de vrouw van graaf Eustachius II van Boulogne, wordt als heilige vereerd, naamdag 13 april. Zij schonk na de dood van haar man haar bezit aan kloosters en kerken en ondersteunde vooral de Benedictijnen abdij St-Vaast in Arras (Atrecht), waar ze in 1113 begraven werd.

 

Merkwaardige heiligen

Het is niet altijd even duidelijk, waarom iemand heilig genoemd wordt, soms zelfs zonder heiligverklaring. Zo bevrijdde markgraaf Everard van Friuli het Italiaanse Beneventum in 847 van de Saracenen. Op wat oudere leeftijd stichtte hij het klooster Saint-Calixte in Cysoing (Frans Vlaanderen), waar hij uitgestrekte bezittingen had. Na zijn dood werd hij naar Cysoing overgebracht en aldaar als heilige vereerd, gedenkdag 16 december.

 

Nog dichter bij huis is graaf Arnulf van Holland te noemen, die in 981 sneuvelde tegen de Friezen aan de Maasmonding en werd bijgezet in de door zijn ouders gestichte abdijkerk te Egmond. Hier werd hij later om onduidelijke redenen als heilige vereerd.

 

Eveneens merkwaardig is hertog Willem X van Aquitanië, die in 1137 op een pelgrimstocht naar Santiago de Compostela overleed, waarna troubadours klaagzangen op zijn dood schreven. Om hem ontstonden veel legenden, met het gevolg dat hij 500 jaar later heilig verklaard werd.

 

Ook Adèle Capet, de vrouw van graaf Boudewijn V van Vlaanderen, ging als “de Heilige” de geschiedenis in. Hoewel ze het klooster Mesen bij Ieper stichtte, is niet duidelijk of ze werkelijk heilig verklaard werd. Was het misschien een  bijnaam om duidelijk te maken dat ze haar vader, Robert de Vrome van Frankrijk, in vroomheid overtrof?

 

Een andere kloosterstichter was palsgraaf Ezzo van Lotharingen, ook bekend als Ehrenfried, die in 1024 als stichter en voogd van de abdij Brauweiler wordt vermeld. Hij wordt officieel heilig verklaard met zijn overlijdensdag, de 21e mei, als gedenkdag.

 

Nationale heiligen

In verschillende landen werden vorsten die sterk bij de invoering van het Christendom betrokken waren, heilig verklaard. Door de vele huwelijken tussen de vorstenhuizen en de lange tijdperiode tussen toen en nu, vindt menigeen hen onder zijn voorouders terug. Het is namelijk gemakkelijker een buitenlandse koning, dan een Nederlandse zeeman als middeleeuwse voorvader te vinden. Van eenvoudige mensen vind je immers geen documenten.

 

Rusland heeft zijn heilige Olga, die in 957 in Constantinopel werd gedoopt en als eerste Christelijke Russische vorst(in) heilig verklaard werd. Maar ook haar kleinzoon Wladimir van Kiev, die de gehele bevolking van Kiev tot aan de rivier de Dnjepr gedreven zou hebben voor een massadoop, werd heilig verklaard, kerkelijke feestdag 15 juni.

 

Hongarije vereert zijn koning Ladislav de Heilige (1040-1095), grondvester van het Christelijke staatswezen aldaar, die de heiligverklaring van zijn voorganger Stephanus bewerkte en zelf in 1192 tot deze eer kwam. Ook zijn dochter Eirene, gehuwd met keizer Ioannes II Komnenos Dukas van Byzantium, ging met het bijvoegsel “de Heilige” de geschiedenis in.

 

Noorwegen heeft als beschermheilige zijn koning Olav, die na zijn doop in 1014 missionarissen in het land riep, kerken liet bouwen en degenen die de doop weigerden bestrafte. In de ter zijner ere gebouwde Dom van Trontheim worden nog steeds de Noorse koningen gezalfd.

 

Patrones van Schotland is de 11e eeuwse koningin Margaretha de Heilige, die probeerde het religieuze leven te reformeren en oude Keltische gebruiken af te schaffen. Zij stichtte de abdij van Dunfermline en werd 1251 heilig verklaard, naamdag 10 juni. Maar ook David I, koning der Schotten in de 12e eeuw, wordt “de Heilige”genoemd. Misschien omdat hij de abdijen van Melrose, Kelso, Dryburgh en Jedburgh stichtte.

 

Zwitserse heiligen in Zürichgau

Vrij dicht bij huis vond ik een verassende verbinding met een Zwitserse heilige. Op het eilandje Ufenau in de Zürichsee, leefde de heilige Adalrich als kluizenaar. Zijn moeder, Reginlinde in de Zürichgau, hertogin van Schwaben, bracht bij hem haar laatste levensjaren door, lijdend aan lepra. Ze was in 929 abdis van de Fraumünster in Zürich en was nauw bij de stichting van het klooster Einsiedeln betrokken. Als laatste rustplaats van Adalrich werd Ufenau met zijn Reginlinden-Kapelle in de middeleeuwen een bekend bedevaartsoord.

 

Reginlinde was 2 maal getrouwd, eerst met Burchard II, later met Herman I, beide hertogen van Schwaben. Merkwaardigerwijze vond ik naar beide huwelijken verschillende afstammingslijnen. Daar zowel mijn beide ouders als beide schoonouders van deze Reginlinde als verre voormoeder bleken af te stammen, kan dit geen toevallige uitzondering zijn. Een aanzienlijk deel van de huidige bevolking zal van deze vrouw afstammen. Dit verschijnsel doet zich voor, als je lang genoeg terug gaat in de tijd, van Adam stammen we immers ook allemaal af.....

                                                                                                                                            

 

 

Utrecht, via Speyer verbonden met Zwitserland

 

De oude bisschopsstad Utrecht was altijd een stad van kerken, ook nu nog – hoewel er nogal wat gesloopt zijn – wordt het stadsbeeld door kerkgebouwen beheerst. De Domkerk in het midden, met zijn door een storm veroorzaakte scheiding tussen de Domtoren en de kerk, kent waarschijnlijk iedereen. Minder bekend is wellicht het Utrechtse kerkenkruis, een ensemble van 5 kerken, die geographisch met elkaar een kruis vormden. De Pieterskerk vormt het hoofdeinde, de afgebroken Mariakerk het voeteinde, terwijl de dwarsbalk gevormd wordt door de Janskerk en de inmiddels verdwenen Paulusabdij. Op het snijpunt van beide balken staat de Domkerk. Wie komt er nu op het idee, zo’n combinatie van kerken neer te zetten?

 

De Utrechtse bisschoppen waren niet alleen kerkvorsten maar ook wereldse heersers, zo heersten ze over het Sticht, maar ook over het Oversticht, d.w.z. van Overijsel tot Groningen. De keizers hadden een voorkeur voor bisschoppen als vasal, omdat ze dan zelf hun vertrouwensmannen voor die functie konden benoemen. Op graven of hertogen daarentegen had de keizer minder invloed, die hielden door de erfopvolging de macht in hun familie. De vertrouwensverhouding tussen keizer en bisschop was dan ook vaak eng, geen wonder dus dat de keizers zo nu en dan ook Utrecht bezochten. Vanaf het midden van de 11e eeuw konden ze er zelfs in het speciale paleis “Lofen” vertoeven. Zo bracht ook keizer Koenraad I van Frankenland in 1039 een bezoek aan Utrecht, waar hij echter tijdens het Pinksterfeest onverwacht overleed. Daar hij zo ver van huis stierf, werd besloten zijn hart in het koor van de Utrechtse Domkerk bij te zetten, terwijl zijn stoffelijk overschot later thuis in de Dom van Speyer begraven werd.

Koenraad’s hart als middelpunt

Koenraad’s zoon en opvolger keizer Hendrik III besloot, in overleg met bisschop Bernold van Utrecht, als eerbewijs voor zijn vader een kerkenkruis te bouwen. Het kruis moest gevormd worden rond de Domkerk en daarmee rond het hart van vader Koenraad; je zult maar op het idee komen! Zo ontstonden in de daarop volgende jaren de Pieterskerk ten oosten, de Janskerk ten noorden en de Paulusabdij ten zuiden van de Dom. Pas in de 12e eeuw werd het kruis met de Mariakerk ten westen (op de huidige Mariaplaats) voltooid.

 

Hendrik toonde in ieder geval meer respect voor zijn vader, dan voor de paus. Hij zette namelijk twee elkaar bestrijdende pausen af en benoemde zelf een paus, die hem tot keizer van het Heilige Roomse Rijk kroonde. Zijn zoon Hendrik IV zette de traditie voort en voerde de zgn. investituurstrijd tegen de paus om de benoeming van bisschoppen in eigen hand te kunnen houden. Hij trok daarbij blijkbaar toch aan het kortste eind, gezien zijn bekende gang naar Canossa, waar de paus hem drie dagen met zijn vrouw in de sneeuw zou hebben laten wachten....

 

De Saliers te Speyer

Dit geslacht van de zogenoemde Salische keizers stierf reeds in de volgende generatie in mannelijke lijn uit en ging door Agnes van Waiblingen via vrouwelijke lijn met de Hohenstaufen verder. De Saliers waren machtige heersters, die het weliswaar nogal eens met de paus aan de stok kregen, maar die aan de andere kant vlijtig kerken bouwden. Het middelpunt van hun rijk lag in Speyer (in het Nederlands ook wel Spiers genoemd), waar Koenraad de bekende Dom van Speyer stichtte, gebouwd tussen 1030 en 1100. Dit was bij de bouw de grootste kerk van het Avondland en het is ook nu nog het grootste Romaanse bouwwerk in Duitsland. Er liggen 4 Salische keizers en 4 koningen (waaronder een van Nassau) begraven, een bezoek onderweg tussen Zwitserland en Nederland (via de linker Rijnoever) is zeker de moeite waard.

 

Speyer ligt ongeveer midden tussen onze twee “vaderlanden” Nederland en Zwitserland, twee landen die in die tijd tot hetzelfde rijk behoorden, iets wat tegenwoordig de EU nog niet voor elkaar gekegen heeft. Zonder de Zwitserse voorgeschiedenis waren de Salische Frankenvorst Koenraad I en zijn nakomelingen waarschijnlijk nooit zover gekomen. Zoals zoveel mannen ontleende Koenraad zijn invloed voor een groot gedeelte aan zijn vrouw, Gisela van Schwaben. Zij was niet alleen hertogin van Schwaben, maar ook erfdochter – via haar moeder Gerberga van Bourgondië  – van de Rudolfingers, die o.a. over West-Zwitserland regeerden. Daardoor kon haar man Koenraad zijn kinderloze zwager Rudolf III na diens dood opvolgen en zich in 1033 in Payerne tot koning van Bourgondië laten kronen. Een jaar later liet hij zich nog in Genève huldigen, waarna het hele Zwitserse grondgebied tot het rijk van Koenraad I behoorde.

 

Zwitserse koningen?

Het heeft me lichtelijk verbaasd, deze Rudolfingers juist in Zwitserland tegen te komen, je zou denken, dat de Zwitsers nooit koningen gehad – of geduld – hebben, nou vergeet het maar. Na het verval van de Karolingse monarchie maakte zich in West-Zwitserland een eigen dynastie zelfstandig, de Rudolfingers uit het huis der Welfen. Het begint in 888 met Rudolf I, die een “Opper-Bourgondisch” rijk sticht in St. Maurice in Wallis, later vergroot met Besancon en Basel. Dit rijk heeft tot 1032 bestaan, de koningen werden gekroond in St.Maurice of in Lausanne, waar ze – naast Vienne – ook begraven werden. Rudolf en zijn opvolgers waren tevens lekenabt van het klooster St.Maurice, quasi hun familieabdij in Wallis.

 

Onder Rudolf II wordt het rijk nog aanzienlijk uitgebreid, waarna o.a. ook  Soluthurn, Bern, Savoye en de belangrijke Alpenpassen erbij horen. Zijn zoon en opvolger Koenraad de Vreedzame, in 937 gekroond tot koning van dit “Arelatische rijk” te Lausanne, zien we in 968 privilegiën verlenen aan het klooster Moutier-Grandval in het Balsthal. Diens opvolger Rudolf III  – zoals gezegd de laatste Rudolfinger – schenkt in 999 het graafschap Wallis aan de bisschop van Sion en diens opvolgers, waardoor deze bisschoppen vorsten van het Heilige Roomse Rijk worden. Hier is het verhaal rond, Wallis kwam daarmee in dezelfde situatie als Utrecht, met een bisschop als werelds heerser.

 

En dit alles kwam 35 jaar later onder de oppermacht van Koenraad I, die door zijn huwelijk het rijk van de Rudolfingers erfde en wiens hart op zo wonderbare wijze midden in het kerkenkruis van Utrecht terecht kwam, en daar nog steeds bewaard wordt....

 

  

 

 

Verwantschap met het huis van Oranje

 

Verrassenderwijze bleken ook een paar niet zo erg verre verwantschappen met het huis van Oranje aanwezig te zijn. Hiervoor is het niet nodig naar verre voorouders als Walram van Nassau of Jan I van Polanen terug te gaan, er zijn beduidend kortere verbindingen.

 

Slechts 12 generaties verwijderd via von Bernsau

Reeds na 12 generaties werd via koningin Emma en de familie van Wijgerden een gemeenschappelijke voorvader gevonden in de Bergse maarschalk Willem V von Bernsau, heer van Hardenberg 1545, ambtman van Solingen 1551.

 

 

 Willem V von Bernsau (-1575)

maarschalk, heer van Hardenberg, ambtman van Solingen

 

       I

Margarethe von Bernsau

       I

Johann Wilhelm van Efferen

       I

Agnes van Efferen

       I

Elisabeth Charlotte Melander

       I

Charlotte van Nassau‑Dillenburg

       I

Victor I v. Anhalt‑Bernburg-Schau

       I

Carel I v. Anhalt‑Bernburg-Schau

       I

Victor II v. Anhalt‑Bernburg-Schau

       I

Emma van Anhalt‑Bernburg‑Schau

       I

George van Waldeck‑Pyrmont

       I

Emma van Waldeck‑Pyrmont

       I

Wilhelmina van Oranje-Nassau      

     I

Heinrich Bernsau

       I

Maria Bernsau

       I

Anna Katharina Spieker

       I

Johann Gottfried Üllenberg

       I

Engelbert Üllenberg

       I

Johannes Engelbertus Ullenberg

       I

Elsje Ullenberg

       I

Johannes Engelbertus la Verge

       I

Pietronella Margaretha la Verge

       I

Evertje den Boesterd

       I

Gijsbert Marius van Wijgerden

       I

Plony Nel Margrete van Wijgerden

 

        (blauw = adel)

 

Merkwaardigerwijze stammen behalve koningin Emma ook prins Bernhard en prins Claus van Willem V von Bernsau af. En wel prins Bernard via Willems zoon Wilhelm VI von Bernsau, terwijl de lijn van prins Claus via Willems dochter Maria von Bernsau loopt. Een drievoudige relatie dus tussen van Wijgerden en Oranjes-Nassau via 4 verschillende kinderen van Willem V von Bernsau.

 

Met 16 generaties via van Dalem naar Oranje

De relatie van de familie Zuiderent met de Oranjes is wat verder weg. Daar vinden we na 16 generaties een eerste gemeenschappelijk voorouderpaar in Willem Roelofs van Dalem, schildknaap, heer van Dongen (en van de Zwaluwe) en zijn vrouw Sophia van Salm(en). Hoewel Willem een Nederlander is, loopt de lijn aan de kant van de Oranjes via de Duitse prins Hendrik.

 

 

Willem Roelofs van Dalem (-1422) & Sophia van Salm

 

       I

Jan van Dalem van Dongen

       I

Beatrix van Dalem van Dongen

       I

Claes van Assendelft

       I 

       I

Roelof van Dalem van Dongen

       I

Jan  van Dalem gen. van Dongen

       I

Peter Janse van Dongen

       I

Dirk van Assendelft

       I

Anna van Assendelft

       I

Adriana von Beieren Schagen

       I

Hermann von Wittenhorst

       I

Friedrich v. Wittenhorst Sonsfeld

       I

Albertine v. Wittenhorst Sonsfeld

       I

Friederike von Marwitz

       I

Otto von Schonburg Waldenburg

       I

Otto von Schonburg Waldenburg

       I

Mathilda v. Schonburg Waldenb.

       I

Marie v. Schwarzburg Rudolstadt

       I

Hendrik v. Mecklenburg Schwerin

       I

Juliana van Oranje Nassau

     

Marie van Dongen

       I

Christoffel Peter van Ghilse

       I

Hendrick Stoffels van Gils

       I

Cornelis Hendricks van Gils

       I

Alida van Gils

       I

Adriaan Dircks Oerlemans

       I

Dirk Adriaans Oerlemans

       I

Jan Dirks Oerlemans

       I

Adriana Jans Oerlemans

       I      

Pieternella Mol

       I

Bastiaan Zuiderent

       I

Aart Zuiderent

       I

Jacob Bastiaan Zuiderent

      

 

 

Verwantschap met burgerlijke aangetrouwden

Een verwantschap met burgerlijke aangetrouwden van de Oranjes ligt uiteraard meer voor de hand. Zo zijn er via Doen Beijens (-1515) verwantschappen met Pieter van Vollenhoven en met zijn schoondochter Marylene van den Broek (zie page Roobol). Deze lijnen zijn echter relatief lang, zo’n 15 tot 17 generaties.

 

Een veel kortere lijn was te vinden bij Mabel Wisse Smit, de vrouw van Johan Friso van Oranje Nassau. De gemeenschappelijke voorouders zijn de landbouwer Abraham Meeldijk, heemraad van Klein Zuid-Beijerland 1784-1796, dijkgraaf 1796-1829 en zijn vrouw Maria Roest.

 

 

Abraham Meeldijk (1754-1831) & Maria Roest

 

       I

Pietertje Meeldijk

       I

Abraham Bakker

       I

Adriaantje Bakker

       I

Jacoba de Graaf

       I

Martinus Los

       I

Hendrik Cornelis Los

       I   

Mabel M. Wisse Smit *) &

Johan Friso van Oranje Nassau

 

       I

Dirk Meeldijk

       I

Aaltje Meeldijk

       I

Andries Bijl

       I

Aaltje Bijl

       I

Bastiaan Baars

       I

Aaltje Baars

       I

Plony N.M. van Wijgerden

 

    *) Mabel nam de naam van haar stiefvader aan.

 

 

 

 

 

De (erf-)schepenen Jacob van Utrecht en Trier

 

Soms kom je onverwachte parallellen tegen, in dit geval tussen de steden Utrecht en Trier. In beide steden regeren generaties lang schepenfamilies met de voornaam Jacob. In Utrecht kennen we het geslacht Van Lichtenberch, dat tussen 1247 en 1320 telkens van vader op zoon schepenen met de naam Jacob leverde. Als stamvader geldt Jacob (I) Johannesz van Vlotstale, die zich nog geen Lichtenberch noemt. Hij wordt o.a. in 1246 vermeld als: Jacobus civis Trajectensis, filius Johannis de Vloitstale. We zien hem als schepen van Utrecht tussen 1246 en 1260. Zijn zoon, ridder Jacob (II) Jacobsz van Lichtenberch, heer van Lichtenberch, is erfschepen van Utrecht in 1286. Hij wordt vermeld als Jacob haren Jacobssone in 1297 en zegelde met randschrift S JACOBI FIL JACOBI CIVIS TRAJECT in 1278.Dan volgt een derde Jacob: Jacob (III) Jacobsz van Lichtenberch, vermeld vanaf 1300, ridder 1305, heer van Rijnauwen, Lichtenberch en Vinnigen. Hij wordt tussen 1311 en 1320 als schepen van Utrecht vermeld. Drie maal na elkaar een Jacob als (erf-)schepen van de stad Utrecht.

Naar Jacob van Lichtenberg werd genoemd de Lichtenberger partij te Utrecht, vergelijkbaar met de Hoekse partij in Holland, die in 1299 de bisschop gevangen zette in het huis Lichtenberg, een deel van het latere stadhuis.

 

In Trier komen we tussen 1276 en 1383 zelfs viermaal een Jakob als schepen (Schöffe) van de stad tegen en wel uit de familie Tristant. De 14 schepenen van deze stad kregen in het begin van de 13e eeuw steeds meer macht en hadden een meerderheid in het bestuur. Ruim een eeuw later werd die macht gedeeld met een gelijk aantal vertegenwoordigers van de gilden en van de gemeente. Tussen 1276 en 1292 bekleedt Jakob (I) der Ältere het ambt van schout (Schultheiss), daarna was hij nog een paar jaar schepen. Dan volgt zijn zoon Jakob (II) der Jüngere, in 1292 vermeld als Jakob, schepen in Trier, zoon van schepen wijlen schout Jakob en schoonzoon van ridder Ludwig von der Brücke. Jakob woonde volgens een oorkonde van 1296  in de Jakobstrasse (platea Jacobi). Vervolgens zien we diens zoon Jakob (III) Tristant, vermeld tussen 1292 en 1311 te Trier. Hij wordt zelden in de akten genoemd, in tegenstelling tot zijn enige zoon, Jakob (IV) Tristant. Deze is schepenmeester (Schöffenmeister) te Trier, vermeld tussen 1351 en 1383. Het ambt van schepenmeester werd later vervangen door dat van burgemeesters.

De naam Tristant werd door de eerste generaties nog niet als familienaam gevoerd; het was oorspronkelijk een voornaam, die later tot familienaam werd. Mogelijk betreft het een tak van de Trierse ministerialenfamilie Von Oeren.

 

 

 

 

Opmerking: De diverse bronnen die voor deze gegevens gebruikt zijn, vindt men bij de betreffende (vetgedrukte) personen in de kwartierstaat.

 

 

 

Jan. 2006, Arnold Zuiderent