Kwst Zuiderent-van Wijgerden
copyright ©2004 A. Zuiderent
Vondsten bij het uitzoeken van de
kwartierstaat
Verschillende families van Strijen
Martelaren en andere theologen
Een nieuw vaderland in de Oriënt
De schatten van Constantinopel
Zwitserse heiligen in Zürichgau
Utrecht, via Speyer verbonden met
Zwitserland
Koenraad’s hart als middelpunt
Verwantschap met het huis van Oranje
Slechts 12 generaties verwijderd via von
Bernsau
Met 16 generaties via van Dalem naar
Oranje
Verwantschap met burgerlijke aangetrouwden
De (erf-)schepenen Jacob van Utrecht en
Trier
Een van de meest interessante
ervaringen bij het samenstellen van deze kwartierstaat was het feit, dat je
nogal eens de voorouders vindt die je vermoed had, maar volgens heel andere
lijnen dan gedacht. Als illustratie van dit verschijnsel een paar voorbeelden.
Bij de eerste
Zuiderents is bij de leenopvolging sprake van een half huis samen met Jan van
Hodenpijl. Verder blijkt een Zuiderent met een ankerkruis te zegelen. Wat ligt er meer voor de hand dan te denken
aan een familierelatie met het geslacht van Hodenpijl, en wellicht met iemand
uit het geslacht van Oegstgeest, die met een ankerkruis zegelden? En inderdaad
komen we in de kwartierstaat ridder Dirk
van Hodenpijl, heemraad van Delftland, vermeld 1360/1406 en zijn
voorgeslacht tegen. Verder vinden we in De Kethel een IJsbrant Dircxs, ovl.
1457/67, die als wapen een ankerkruis (Van Oegstgeest) voert en die via zijn
moeder van een Willem van Oegstgeest,
vermeld in de Lier, afstamt. Daarmee lijkt de zaak perfect te zijn, ware het
niet dat deze mensen niet als voorouders van de Zuiderents gevonden werden maar
van de familie Baars...
Opmerking: Pas nader onderzoek heeft intussen
aangetoond dat het ankerkruis bij het geslacht Zuiderent inderdaad van het
geslacht Van Oestgeest afkomstig is. Zie het familieboek onder ‘Genealogie’ en
de stamreeks Zuiderent onder ‘Stamreeksen’.
Zoals bekend is
er een vermoedelijke link tussen de families de Hoog en van Arkel, zie Karel de
Grote reeks 78. Nu komen we reeds in de 5e generatie
een Adriaantje de Hoog tegen,
waarvan de voorouders uit het land van Altena stammen. Een link met genoemde
lijn ligt dus nogal voor de hand, ware het niet dat deze tak niet bepaald
welgesteld was, waardoor ze nauwelijks in de boeken voorkomen. En toch komt de
genoemde link van de Hoog met van Arkel in de kwartierstaat voor. Dit echter
niet via Adriaantje de Hoogh, maar via Marigje Kooijwijk, de vrouw van Gijsbert van Wijgerden.
Bij de Brakelse familie van Wijgerden kom je via de heren van Hemert bij het geslacht de Cock terecht. Nu voeren zowel Rudolf II de Cock van Weerdenburg als Gijsbert de Cock van Hemert het wapen
van de Franse familie de Châtillon. Ook bij
verschillende dorpswapens in die buurt vindt men het Châtillon
wapen terug. Volgens een legende zou de familie de Cock van het geslacht de Châtillon stammen, bewezen is dit echter niet. Rudolf I de Cock zou met Otto van Gelre
uit Frankrijk gekomen zijn en veel goederen van hem in leen gekregen hebben.
Anderzijds claimen van Hemert kenners, dat Gijsbert de eerst bekende de Cock
moet zijn geweest. Hoe dit ook zij, je verwacht op een gegeven moment de Châtillons in de kwartierstaat en die zijn er inderdaad
ook: Adelheid van Châtillon,
vrouw van Willem IV van Garlande, met haar voorouders. Merkwaardigerwijze komen
we daar echter niet via van Wijgerden en de Cock, maar via Zuiderent en d’Argenteau.
Het kruis van de Tempeliersorde, in 1120 opgericht om pelgrims naar
Jeruzalem te beschermen
Wapen van Cornelis Ariensz Suijderent
als schepen van Vlaardingen 1703/1706

Familiewapen
Zuiderent , ontworpen op grond van het
wapen van Cornelis Suijderent
(De eerste 2
wapenbeelden vindt men met bronvermelding bij de generaties 30 en 11a, beide aan het eind van de betreffende file,
de derde onder home. Een verdere afbeelding van het wapen vindt
men op de grafzerk in Maasland).
Bijzonder is
echter wel, dat we juist in het kwartier Zuiderent vrij veel kruisvaarders
tegenkomen, met name ook koning Boudewijn
II van Jeruzalem (onder wiens bewind de orde werd opgericht) en zijn
dochter koningin Melisende van Rethel. (Verdere
kruisvaarder-voorouders zijn op het Engelstalige
gedeelte van deze page vermeld). Maar de lijn naar deze mensen gaat niet via de
oude generaties Zuiderent die dit wapen gebruikten, maar via verschillende
vrouwelijke afstammingslijnen.
Sinds de Vlaardinger
vondst van een voorvader, die daar ten tijde van graaf Dirk III leefde, lijkt
een verbinding van de vroege Zuiderents met de kruistochten toch eerder
aannemelijk. Dirk III maakte al pelgrimsreizen naar Jeruzalem, zijn nakomeling
Floris III sneuvelde tijdens de Derde Kruistocht te Antiochië. Ook diens zoon, graaf Willem I, nam 2
maal aan een kruistocht deel, voor het laatst in 1217 (Vijfde Kruistocht),
waarbij de haven van Vlaardingen als verzamelplaats van de vloot diende. Men
leefde dus dicht bij dit gebeuren, wellicht waren er familieleden bij
betrokken. Sommigen vermoeden zelfs een vestiging van de tempeliersorde bij
Vlaardingen. Ook is een verbinding met
de Duitse Orde denkbaar, die in Maasland haar Commanderij had. Het
ankerkruiswapen is in de familie gekomen via de familie Van Oestgeest. Zij
voerden een rood ankerkruis op een veld van goud. Als er een verbinding met
kruisvaarders zou zijn, dan zou deze met genoemde familie te maken moeten
hebben. Nu wordt Dirck van Oestgeest, de waarschijnlijke vader van Allaert (I),
vermeld in 1221 wanneer hij met enkele andere edelen getuigt voor graaf Willem
I te Antwerpen. Twee jaar eerder was graaf
Willem van de Vijfde Kruistocht teruggekeerd, waar hij met veel Hollandse en
Friese ridders bij het beleg van Damiate in Egypte
roem verworven had. Het is aannemelijk dat Dirck van Oestgeest ook bij deze
kruistocht tot Willems mannen behoorde. Ook Dircks vader kan heel goed met
Floris III aan de Derde Kruistocht deelgenomen hebben. Verder zijn er aanwijzingen
van deelname van een Van Oestgeest aan de kruistochten van de Duitse Orde naar
Oost-Pruissen rond 1240. Het is daarom heel goed mogelijk dat het ankerkruis
als wapen van de kruistochten afkomstig is. Zie ook Wapenvoering.
Bij het zoeken naar
voorouders zijn schoolmeesters een dankbaar onderwerp, daar ze vaak sporen in
kerk- en gemeenteraadsnotulen nagelaten hebben. Nadat oorspronkelijk de
pastoor, en vervolgens de koster, voor het onderwijs aan de kinderen
verantwoordelijk waren, volgde later de (dorps-) schoolmeester, die in de regel
zowel in dienst van de gemeente als van de kerk stond. Als iemand al van
overheidswege betaald werd, was met het geven van onderwijs de kous niet af.
Waarom zou zo iemand immers minder werken als een ander? Er hoorden daarom
allerlei bijbaantjes bij, van grafdelver tot voorzanger.
Zo blijkt in het
begin van de 18e eeuw de ’s-Gravendeelse
schoolmeester Dirk van Moerkerken de
kerkelijke bijbanen van koster, grafdelver, voorzanger en voorlezer te hebben.
De Maasdamse schoolmeester Arnoldus Verné (aan wie ik mijn voornaam te danken heb) ontvangt
omstreeks 1780 een tractement als koster, voorlezer
en voorzanger. Verder wordt hij geregeld voor het opwinden en onderhoud van het
torenuurwerk betaald. Wat meer details zien we bij Dirks vader, Hendrik van Moerkerken. Zijn inkomsten
bedragen 87 gulden per jaar voor het schoolgeven en klokluiden, 5 gulden voor
het bezorgen der stoven en het gestoelte van de heren schout en schepenen in de
kerk, en 3 gulden voor het schoonmaken der dorpsstraten en stoepen. Daarnaast
blijkt hij de zorg over het kerkhof te hebben.
Hendrik van Moerkerken pakt het diplomatieker aan: hij slaagt er in 1700
in, tot schepen van zijn dorp verkozen te worden, waarna hij merkwaardigerwijze
tot het bestuur behoort, waaraan hij zelf verantwoording schuldig is. Hij zal
waarschijnlijk wel geen stoepen meer schoongemaakt hebben! Ook Arnoldus Verné zoekt het later in de
politiek. In 1791 wordt hij tot collecteur van de gemeentemiddelen benoemd en
in 1798 tot
“municipaal”, de Franse term voor gemeenteraadslid. Arnold blijkt intussen van
prinsgezinde tot patriot bekeerd te zijn: hij ondertekent een verklaring van
“afkeer van het stadhouderlijk bewind”. Daarbij had hij een paar jaar eerder
nog de eed op het stadhouderschap bekrachtigd! Zo liet men blijkbaar (ook) in
die tijd zijn jasje naar de wind waaien om interessanter werk te krijgen.
De combinatie van
gemeentelijke en kerkelijke ambten zorgde uiteraard ook voor spanningen tussen
kerkenraad en gemeentebestuur. Zo wordt Michiels kleinzoon Dirk van Moerkerken door de gemeente aangesteld zonder overleg met
de kerk. Daardoor onstaat er een conflict tussen het
gemeentebestuur, dat de aanstelling van een schoolmeester moet regelen, en de
kerkenraad, die vanouds verantwoordelijk is voor de aanstelling van een koster,
grafdelver, voorzanger en voorlezer. De in gebreke gebleven schout moet uiteindelijk
beloven, in het vervolg - naar oud gebruik - de verkiezing van een
schoolmeester met de kerkenraad te coördineren.
Voor een
bijzonder conflict zorgt Adriaen Kieboom,
die in 1588 wordt aangesteld als schoolmeester te Mijnsheerenland. Hij krijgt
al direct onenigheid met de predikant, daar zijn uitlatingen “niet in
overeenstemming met zijn beroep” zouden zijn. Na drie maanden wordt hij al
overgeplaatst (lees: verbannen) naar de nabije Sint Anthoniepolder. Blijkbaar
is ook daar zijn levenswandel wat buitengewoon voor een leerkracht, want in
1599 komt de kerkelijke classis er achter dat Adriaen “tapt” in de Polder. Hij
blijkt daar “een drinckhuijs” te exploiteren,
uiteraard geen goed voorbeeld voor de schooljeugd. Adriaen wordt van zijn
functie ontheven en tot gemeentebode benoemd, een waarlijk sociale oplossing
voor die tijd.
Een grote schoolmeestersfamilie vormden de van Hemerts. Talrijke telgen uit dit geslacht, waarvan de
afstamming terug gaat tot op de (kasteel-) heren van Hemert, kozen dit beroep, waarmee deze familie zich door
het hele land verspreidde. Ik kwam ze niet alleen in Wijk en Aalburg, Hurwenen,
Brakel en Asperen tegen, maar ook in Amsterdam.
Soms lijkt de
openbare administratie door de familieverhoudingen tot een privézaakje te
ontaarden. Zo bij Maurits Versteegh,
dorpsschoolmeester te Leersum, die daar tevens het
begraafboek bijhield. Hij tekent in 1768 bij het begraven van zijn vader op:
"vader van degene die dit schrijft", en wel zonder naam erbij. Voor
latere onderzoekers natuurlijk een puzzel om uit te vinden wie er overleed.
Zijn zoon, eveneens schoolmeester aldaar, schrijft dezelfde spreuk bij diens
ouders, maar dan wel – ook schoolmeesters leren er blijkbaar bij – voorzien van
de naam van de overledene.
Het is soms frappant, hoe de geschiedenis zich herhaalt. Mensen beleven
vaak dingen die hun voorouders ook reeds beleefd
hebben, of ze vertonen eigenschappen, die zich over vele eeuwen in de familie
lijken voort te planten. Ook wanneer zulke dingen wellicht op toeval berusten,
is het toch vaak interessant, dergelijke weerkerende gebeurtenissen te
ontdekken.
Zo leefde er van
1673 tot 1752 in het dorp Puttershoek bij Dordrecht een vrouw, die Anna Hartigveld
heette. Op tienjarige leeftijd verloor ze haar moeder, zes jaar later haar
vader, die beurtschipper was tussen Puttershoek en Rotterdam. Anna erfde het
schippersbedrijf met het daarbij behorende pand "Van Ouds 't
Schippershuis". Een paar jaar later trouwde ze met schipper Teunis Roos, die met haar het
familiebedrijf voortzette.
Maar Anna blijkt geen gemakkelijke tante geweest te zijn: ze krijgt ruzie
met dominee Willem van Krimpen. De vijandelijkheden lopen in 1712 zover op, dat
de dominee Anna in de ban doet. Ze wordt uitgesloten van het heilig avondmaal
omdat ze de predikant “goddeloos heeft bejegend met obstinate laster”...
Anna draait bij, doet schuldbekentenis en na een verzoening wordt ze weer
tot het avondmaal toegelaten. Merkwaardigerwijze wordt echter dominee van
Krimpen een paar jaar later afgezet. Zou het misschien een laat succes geweest
zijn van Anna’s campagne tegen hem, of wellicht haar late wraak? In ieder geval
blijft zij haar “ambt” houden: zelfs na de dood van haar man in 1743 worden de
collectebussen nog steeds bij haar thuis geopend.
Anna’s grootmoeder van moederszijde stamde uit een Dordts
regentengeslacht, misschien een reden dat Anna niet met zich liet spotten. Na
ver doorzoeken onder haar voorouders stuitte ik merkwaardigerwijze op een
soortgelijk karakter. Eén van haar voorouders bleek de Duitse koning en latere
keizer Hendrik IV te zijn,
bekend door zijn boetegang naar Canossa. Hij raakt in
de “investituurstrijd” verwikkeld, een machtsstrijd tussen de keizer en de paus
in het Heilige Roomse Rijk over de vraag wie de zeggenschap had over de
benoeming van bisschoppen. Hendrik liet zelfs de paus afzetten en werd daarop,
in 1076, in de ban gedaan, ofwel geëxcommuniceerd. Ook hij draait bij en
begeeft zich in de winter met zijn vrouw naar Canossa
om de paus vergeving te vragen en opheffing van de ban te bereiken. Drie jaar
later zet hij echter de paus nogmaals af en benoemt een tegenpaus die hem te
Rome tot keizer kroont.
Merkwaardigerwijze
precies hetzelfde patroon als bij Anna Hartigveld:
ruzie, banvloek, schuldbekentenis en vergeving, en dan toch terugslaan...
Het volksoproer wordt neergelagen en de groep aanvoerders, waarvan Teunis
de oudste is, wordt berecht. Teunis moet voor de Hoge Vierschaar verschijnen,
hij heeft o.a. vernielingen gepleegd, "Oranje boven, hoezée" geroepen
en mensen bedreigd. Hij zou zelfs geschoten hebben op de te hulp geroepen
schutters uit Dordrecht. Er wordt een hoge straf geëist: ophanging op het
schavot voor het raadhuis en transport van het lijk naar het galgenveld om
aldaar aan de buitengalg opgehangen te worden, “anderen ten voorbeeld en ten
schrik, totdat het door de lucht en de vogels des hemels zal zijn verteerd”.
Hoewel een
historische roman in detail beschrijft hoe Teunis op het vonnis reageert en hoe
het vonnis wordt voltrokken, stelde ik merkwaardigerwijze vast, dat Teunis nog
31 jaar geleefd heeft. Het vonnis zal milder uitgevallen zijn dan de eis of
wellicht werd hem gratie verleend. Een half jaar later kwamen trouwens de
Prinsgezinden weer aan de macht.
Maar daarmee niet
genoeg: zoeken we verder onder Teunis’ voorgeslacht, zo komen we bij Bernard van Italië terecht. Deze werd
in 813 door zijn grootvader Karel de Grote tot koning der Longobarden
benoemd als opvolger van zijn overleden vader Pepijn. Vier jaar later passeert zijn oom Lodewijk de Vrome hem echter bij de nieuwe indeling van het rijk,
waarna de 19-jarige Bernard tegen Lodewijk in opstand komt. Bij deze rebellie
moet Bernard het onderspit delven. Zijn leger wordt te Châlon-sur-Saône
verslagen en Bernard wordt ter dood veroordeeld. Maar ook hier wordt het
oordeel niet voltrokken, oom Lodewijk begenadigt zijn neefje en verzacht zijn
lot tot het uitsteken van zijn ogen.... Deze ingreep overleeft de jonge Bernard
echter niet, hij overlijdt aan de gevolgen ervan en wordt in de basiliek van
Saint-Ambroise in Milaan begraven.
Valt nog toe te
voegen, dat oom Lodewijk de Vrome, zoals zijn bijnaam al aanduidt, een zeer
religieus man was. Door deze gebeurtenissen verviel hij in een diepe depressie
en hij legde een openbare schuldbelijdenis af, zoals de kerkelijke wetten het
van een delinquent eisen. Ook de latere opstand van zijn zonen tegen hem ziet
hij als een straf van God vanwege zijn zondige levenswandel, hij laat die
gebeurtenissen dan ook vrij passief over zich heenkomen.
In een tijd van
“Samen op Weg” en de daaropvolgende kerkfusie, kunnen we ons nauwelijks meer voorstellen
hoe diezelfde kerken eens uit elkaar gingen. Het begin, de Afscheiding van 1834
uit de Hervormde Kerk, ligt tenslotte al weer zo’n 5
tot 6 generaties terug. Als amateur-genealoog kom je soms onverwacht mensen
tegen, die in zulke gebeurtenissen verwikkeld werden. Je verbaast je dan, dat
er in de toenmalige liberale tijd zelfs geloofsvervolging plaatsvond.
Reeds in 1797 zien
we de kleermaker Willem Baars te
Oud-Beijerland met andere kerkleden een protest ondertekenen. Het
gemeentebestuur had namelijk een nieuwe kerkmeester benoemd, terwijl deze
eigenlijk door de kerkleden gekozen zou moeten worden. Er was dus toen al
onbehagen merkbaar over de toenemende zeggenschap van de staat over de kerk.
Later gaat Willem mee met de Afscheiding, samen met zijn vrouw en 6 kinderen.
Het bleef echter
niet bij boeten. Op 23 augustus 1835 houdt ds. Scholte weer een hagenpreek,
deze keer in een boomgaard te Gameren, bij Zaltbommel. Deze godsdienstoefening
wordt door een detachement dragonders te voet en te paard, met getrokken
sabels, uiteen gedreven...... De dienst werd bijgewoond door Gijsbert van Wijgerden, boer en
boterkoopman uit het nabije Zuilichem. Gijsbert was daar lid van het
gemeentebestuur, Hervormd ouderling en kerkvoogd.
De secretaris van
de koning antwoordt, dat hij zelf de nodige stappen moet ondernemen, als hij
zijn functie niet wil continueren, waarop Gijsbert als gemeentebestuurder
terugtreedt. Hij verlaat de NH Kerk en stelt zijn ruimtes ter beschikking aan
de Afgescheidenen. In zijn boerderij bevond zich later de "theologische
kamer" waar ds. F.A. Kok omstreeks 1853 predikanten opleidde. Hier preekte
ds. Scholte in 1837 en doopte 30 kinderen uit de wijde omgeving. Voor deze
bijeenkomst werd Gijsbert beboet.
Abraham den Boesterd, landbouwer te Neerijnen, was een zwaar
beproefd man. Bij de overstroming van de Betuwe in de winter van 1809, vluchtte
hij met zijn gezin in een pereboom, waar 4 kinderen
in de armen van hun ouders van de koude bezweken. Abraham en zijn zwangere
vrouw overleefden de ramp, waarna ze toch weer 10 kinderen kregen. Hun
boerderij Oud-Snellestein werd na de Afscheiding van
1834 gedurende ruim 80 jaar een middelpunt voor vrije kerkelijke bijeenkomsten,
waar vrije predikanten zoals ds. Ledeboer voorgingen. Zo bleef deze groep in
een schuur vergaderen, toen de Afgescheidenen reeds
lang als kerk erkend waren.
In Nederland had
ds. Scholte zijn aanhang niet alleen in Gelderland maar ook in Zuid-Holland,
vanwaar veel volgelingen met hem meegingen. Zo zien we de Zuid-Beijerlandse kleermaker Kommer de Hoog jr., zoon van Kommer de Hoog en Adriaantje Verné, in october 1846 met de driemaster Wakema
via New Orleans en verder over de Mississipi naar
Iowa vertrekken. Hij behoorde tot de door ds. Scholte gestuurde voorhoede van
een grotere groep emigranten, die in 1847 zou volgen. Onder hen was Cornelia
Wilhelmina Blok, een dochter van Adriana
Jans Oerlemans. Zij vertrok met haar man, de ’s-Gravendeelse
vlasboer Melis Visser, kompleet met gezin en knecht
in april 1847 met het barkschip Nagasaki via Baltimore naar Pella.
Het gezin keerde echter na 2 jaar terug, daar Cornelia niet aan het
prairieleven kon wennen. Bij deze emigranten was ook Leendert Moret, een broer
van Teuntje Moret. Veel emigranten
volgden later, zoals de Numansdorpse landbouwer
Paulus den Hartigh, zoon van Paulus den Hartigh en Bastiaantje
Groeneweg, die in 1904 naar Amerika
emigreerde. Hij ging echter niet naar Iowa, waar twee zusters van zijn vrouw
Janna Monster een nieuw vaderland hadden gevonden, maar naar Yakima County in de staat
Washington.
De Wederdopers
hebben, vooral door hun rebelse optreden rond 1534-35 te Amsterdam en Münster,
een nogal slechte naam gekregen. Onder hun latere leider Menno Simons (naar wie
ze wel Mennonieten genoemd worden) legden ze de nadruk op de bergrede en onthielden zich verder van wapengeweld.
Desondanks werden ze vervolgd, met als gevolg dat vele naar Amerika uitweken
(waar Zwitserse geloofsgenoten de gemeenten der Amish
in Pennsylvania stichtten). In Zwitserland was overigens de vervolging eerder
sterker en vooral langduriger. Toch overleefden sommige groepen in het Emmental maar vooral in de Jura, waar hen het vorstbisdom Basel asyl verleende, zover ze
zich boven 1000 meter vestigden en hun geloof niet openlijk leefden....
Mennonieten
kenmerkten zich vaak door een zekere wereldmijding, waren tegen verzekeren enz.
Daar voor hen een persoonlijk geloofsleven, op basis van eigen kennisname van
de bijbel, primair was vond de doop pas plaats nadat de mondige gelovige zijn
geloof had beleden. De zaligmakende rol van de kerk was in deze opvatting quasi
verdwenen, waardoor juist dit geloof sterk botste met de R.K. Kerk. De Dopersen blijken dan ook in het begin van de Reformatie in
Nederland de spits afgebeten hebben. Het is opvallend, dat onder protestantse
vervolgden en martelaars het aantal Doopsgezinden verhoudingsgewijs hoog lag.
Jacob Braber bv. wordt in 1610 in het Brabantse Gastel R.K.
gedoopt. Jacob is boer en verhuist naar de nieuw drooggelegde gebieden van
Goeree. Bij zijn huwelijk te Middelharnis in 1629 staat aangegeven, dat het
echtpaar de Mennonitische godsdienst belijdt.
Desondanks worden hun kinderen op jonge leeftijd in de Nederduits Gereformeerde
Kerk gedoopt. Zouden ze hun nieuwe religie zo snel weer verwisseld hebben? Of hebben ze misschien gedaan wat maatschappelijk
van hen verwacht werd en bleven ze thuis hun Doperse ideeën trouw?
Pieter Adriaansz van der
Werff werd bekend als
burgemeester tijdens het beleg van Leiden in 1574. Toen er hongersnood uitbrak
en een aantal burgers wilde, dat de stad zich zou overgeven, zou hij in een
toespraak gezegd hebben, dat ze dan eerst hemzelf zouden moeten opeten. Minder
bekend is het feit, dat Pieter van doopsgezinde huize was. Zijn vader Adriaan, soms Vermeer genoemd, was Doopsgezind leraar. Hij werd in 1537 te
Haarlem terechtgesteld (“onthalsd”). Hoewel dus zoon Pieter inzake
standvastigheid niet voor zijn vader onderdoet, blijkt hij niet Doopsgezind
maar intussen Gereformeerd te zijn.
Claes’ zoon Cornelis Anslo werd in 1616 eveneens dienaar bij deze
gemeente. Hij deed zijn eerste “predicatie” als voorganger in 1617 en werd “in
vollen dienst bevestigd” in 1624. Van Cornelis, die een begaafd redenaar
geweest moet zijn, maakte Rembrandt een ets en een levensgroot schilderij.
Dit schilderij
Ay, Rembrandt, maal Cornelis stem.
Het
zichtbre deel is 't minst van hem:
't
Onzichtbre kent men slechts door d'ooren
Wie
Anslo zien wil, moet hem horen.
Rembrandt slaagde
er meesterlijk in, Cornelis als spreker uit te beelden: je ziet hem als het
ware tegen zijn vrouw Aaltje praten.
Deze Aaltje Schouten was overigens ook een
telg uit een doopsgezind lakenkopersgeslacht. Dochter Teuntje trouwt in 1637
met de makelaar Jan Del, die
Doopsgezind wordt. Als gevolg hiervan wordt deze regentenzoon van alle
overheidsambten uitgesloten (tot de Franse tijd bleef dit soort discriminaties
bestaan!). Hun dochter Anna trouwt
nog Doopsgezind, maar haar kinderen zien we de Remonstrantse of de
Gereformeerde richting uit gaan. Wellicht leefde ook hier nog een stuk Dopers
gedachtengoed in de privésfeer voort.
Het zoeken naar
voorouders kan vrij saai worden, als je slechts namen, datums en woonplaatsen
tegenkomt. Spannend wordt het pas, als je ontdekt wat ze gedaan hebben, hun
beroep, hun bezigheden, misschien hun geestelijke instelling. Nog interessanter
wordt het, als je raakvlakken met de “grote” geschiedenis vindt: waar stonden
ze bijvoorbeeld in de tijd van de reformatie en de 80-jarige oorlog? Zwommen ze
met de grote stroom mee, stierven ze als martelaar, vochten ze voor de
vrijheid?
Om kans van
slagen te hebben, moet je wel vrij breed zoeken, het beste alle voorouders via
vader en moeder (ik neem er ook die van mijn vrouw bij), dan heb je in de
reformatietijd theoretisch al zo’n 10’000 voorouders. Daarvan moeten er dan wel
een paar honderd te vinden zijn, waarvan er vast een paar iets interessants te
vertellen hebben.
Nu is het niet
bepaald eenvoudig om martelaar te zijn, sommige voorouders zochten zich dan ook
iets anders uit, ook als ze het niet met de kerk eens waren. Zo de pastoor Reijner Joosten te Brakel (Gld), die weinig
heil zag in het celibaat. Reeds voordat hij in 1516 te Utrecht tot priester
werd gewijd, was Reijner – op aandringen van zijn
moeder, joffrou Geertruijd van Braeckel – in het geheim getrouwd. De kerkelijke
autoriteiten moeten
zich vrij lang om de tuin hebben laten leiden: pas in 1544 spant
de Utrechtse curie een proces tegen hem aan om hem het priesterschap te
ontnemen. Heer Reijner reist zelfs naar Rome om de
paus clementie te vragen. Deze laat hem echter weten dat hij het priesterschap
moet opgeven om zich verder aan zijn vrouw en kinderen te wijden. Hij was
tenslotte eerst getrouwd en had daarna de priesterwijding helemaal niet mogen
ontvangen. Van Reijner Joosten, die het gebod “ga
heen en vermenigvuldigt U” nogal letterlijk nam, stamt wellicht het halve dorp
Brakel af.
Een andere
theoloog die ik tegenkwam was Matthias Hoppel, die het geluk had, wat later geboren te zijn.
Ook hij was pastoor geweest, en wel te Weijler en
Berghe bij Aken, maar hij was met de reformatie meegegaan en getrouwd. Later,
tijdens de contra-reformatie, moest Matthias echter
als geloofsvluchteling naar de Nederlanden uitwijken, waar hij in 1582 Hervormd
predikant te Heerjansdam (ZH) werd. Zoals wel meer met domineeszoons
het geval is, bleken zijn zoons carrière te maken: verschillende van Matthias’ nakomelingen
treffen we later als schout op de Zuid-Hollandse eilanden aan.
In bovengenoemde
streek wordt nog in hetzelfde jaar de patriciërszoon Johan van Nuijssenburg uit het opstandige
Dordrecht als gouverneur ingezet. Hij "hadde in
den Spaanschen Oorlog, anno 1572, en voorts gedurende
zijn leven, de bestiering of 't gouvernement van den heelen
Houkzenwaard, totten Briel
toe." Ook zijn vader was de staatsdienst niet vreemd: “Willem van Nuijssenburg
diende keyzer Karel V, graaf van Holland, 16
maandenlang, op eijgen beurse, met thien knechten te paarde”.
Het zuiden van
Nederland bleef langer onder Spaanse invloed. Adriaan Beljaerts, meester in de vrije
kunsten, was in 1588 door Philips II tot secretaris van Terheijden (bij Breda)
benoemd. In 1591 liep zijn positie gevaar, omdat aan zijn trouw aan het Spaanse
bewind en het Katholieke geloof werd getwijfeld. Hij weet zich te handhaven
o.a. door een verklaring, dat hij "zeer vroom, bequaem
en gequalificeerd" is, ook "spreeckende de Spaensche en Fransoysche tale". Adriaan,
die tevens schepen en dijkgraaf was, woonde in het
"Blockhuijs", een omgracht
kasteeltje, en beoefende op zijn weidegronden de vetweiderij, een destijds –
vooral in oorlogstijd – lucratieve bezigheid. Zijn nageslacht werd protestant.
De laatste twee
van deze Leidenaren konden niet vermoeden, dat hun gemeenschappelijke achter-kleindochter Francina Brinck
met een dorpschirurgijn zou trouwen, die te ’s-Gravendeel (60 km van Leiden)
voor nogal wat nakomelingen zou zorgen. En de eerste van het drietal kan niet
geweten hebben, dat zijn kleinzoon, dijkgraaf Nicolaas Adriaansz van Strijen, toevallig
in dezelfde buurt een welvarend boerengeslacht zou stichten, waarvan een telg –
meer dan 300 jaar na het beleg van Leiden – verliefd werd op een nakomeling van
de chirurgijn.
Een
collega-onderzoekster vond zelfs het dorpje Vallcebre,
hoog in de Spaanse Pyreneën, vanwaar de Grandia’s zouden stammen. Een leuk gehucht met een groot
stenen huis, Can Noi van de familie Grandia. De daar
levende Joan Grandia, die trots zijn Spaanse familiewapen liet zien, wist te
vertellen, dat de naam reeds in de 14de eeuw voorkwam
en dat ze een familie van lijfwachten geweest waren. Dat was dus het hout,
waaruit de vijand destijds gesneden was....
Een complete
lijst van kruisvaarders en pelgrims uit deze kwartierstaat staat op de Engelse versie van de homepage.
Zouden onze
voorouders met de kruistochten meegelopen hebben? Deze genealogische vraag
heeft me altijd al gefascineerd. Iemand die rond het jaar 1100 leefde en 2
kinderen had, die ook weer 2 kinderen hadden, etc,
zou nu theoretisch zo’n miljard (ca. 30 generaties, 2 tot de macht 30)
nakomelingen hebben, als ze niet onderling zouden trouwen. Maar ook met
onderlinge huwelijken zullen het er practisch denk ik
vele miljoenen zijn. De kans dat we van kruisvaarders afstammen is daarom erg
groot.
Het startschot
tot de kruistocht vormde een aanvraag om militaire hulp door keizer Alexios Komnenos van
Byzantium in 1095. Het door hem geregeerde Klein-Azië was intussen door de Turksstammige Seldschuken
veroverd. Hoewel Byzantium sinds het Schisma van 1054 kerkelijk van Rome
gescheiden was, besluit Alexios de geloofsgenoten in
het Westen te hulp te roepen. Om de kans van slagen te vergroten legt hij de
nadruk op hulp aan Jeruzalem. Dit argument mist zijn effect niet en wordt door
paus Urbanus II gretig overgenomen, waarna hij tot een kruistocht door een ridderleger
oproept. De deelnemers wordt aflaat van hun zonden in het vooruitzicht gesteld,
wat mede tot een grote belangstelling bijdraagt.
Ingelbrecht van Petegem was vaandrig van de graaf van Vlaanderen. Hij
neemt aan de kruistocht deel en komt ook weer terug: hij leeft daarna nog meer
dan 30 jaar. Of hij nu heel die reis met een vlag of vaandel heeft moeten
lopen, vermelden de kronieken niet. Destijds was trouwens de Vlaamse leeuw als
wapendier nog niet geboren, die werd volgens de legende pas bij een latere
kruistocht in een gevecht op een Mohammedaans vorst veroverd.
Steven van Blois was een uitermate rijk maar niet zo
moedig man. Bij het acht maanden durende beleg van Antiochië was hij voor de
bevoorrading verantwoordelijk. Een dag voordat de stad wordt ingenomen vindt
Steven dat zijn taak beëindigd is en vertrekt hij met de noorderzon naar
Frankrijk. Blijkbaar heeft hij buiten de waard gerekend: zijn vrouw Adèle (een
dochter van Willem de Veroveraar) vindt zijn gedrag beschamend en stuurt hem
terug! Steven laat zich na een tijdje overtuigen, bezoekt het intussen ingenomen
Jeruzalem, en sneuvelt in 1102 in een gevecht bij Ramula.
Adèle gaat later in een klooster.
Ook Boudewijn van Henegouwen was bij het
beleg van Antiochië van de partij. Hij moet de inname van de stad aan de keizer
in Constantinopel gaan melden (ze zullen je zo als
postbode misbruiken) maar wordt tijdens deze tocht in Klein-Azië overvallen en
vermoord. Ook hij blijkt een kordate echgenote te
hebben: zijn vrouw Ida van Leuven
begeeft zich als weduwe naar Klein-Azië om daar persoonlijk (maar vergeefs) een
onderzoek in te stellen naar het lot van haar man.
Na 18 jaar over Edessa geregeerd te hebben, wordt hij als Boudewijn II tot
koning van Jeruzalem verkozen. Zijn voorgangers Godfried van Bouillon en diens
broer Boudewijn I waren beide kinderloos gestorven, waarna hun neef Boudewijn
van Rethel – als de meest nabije in de Oriënt
aanwezige verwant – voor de opvolging in aanmerking kwam.
Boudewijn II
heeft 13 jaar over het koninkrijk Jeruzalem geregeerd, waarna hij in 1131 in de
Heilige Graf-kerk werd begraven. Daar hij de erfopvolging vroegtijdig tot de
vrouwelijke lijn wist uit te breiden, kon zijn dochter Melisende hem als koningin
opvolgen. Het nageslacht van haar kleindochter, koningin Isabelle van Anjou, zien we zelfs tot het einde van het koninkrijk
Jeruzalem in 1291 op de troon. Tijdens Boudewijns regering wordt de
legendarische Tempeliersorde opgericht, die de opgave had de pelgrims te
beschermen, met name op de gevaarlijke weg van Jaffa
naar Jeruzalem.
Daarmee leken de
doelen van de kruistocht bereikt. De vijand zat echter niet stil, en er zouden
nog heel wat tochten volgen, soms met minder duidelijke doelen en
twijfelachtige resultaten.
Het Midden Oosten bleek dus niet tot rust gekomen te zijn,
ondanks de oprichting van de Frankische staten. Telkens weer werden er
kruistochten uitgeschreven, om de orde te herstellen, vaak met gering succes.
Odessa werd niet terugveroverd en ook Jeruzalem bleef nog lang in de hand van
de Moslims.
De volgende graaf
van Holland, Floris III, maakte in 1187 een bedevaart naar Jeruzalem.
Twee jaar later vertrok hij met keizer Frederik Barbarossa tijdens de Derde
Kruistocht naar het Heilige Land, waarbij ze beide omkwamen. Terwijl de keizer
bij een overmoedige oversteek van een rivier verdronk, overleed Floris in 1190
in Antiochië aan de pest en werd te Tyrus begraven. Gelukkig kwam zijn zoon Willem I, die eveneens bij deze
kruistocht van de partij was, heelhuids terug. Deze Willem – als grondlegger
van het waterschapstelsel één der belangrijkste graven van Holland – nam in 1217 ook nog
aan de Vijfde Kruistocht deel, en wel om van de ban ontslagen te worden, waar
hem de paus om politieke redenen in gedaan had. Hierbij verwierf hij veel roem
in Portugal, waar hij Alcacer op de Moren veroverde
en in Egypte bij de verovering van Damiate.
Soms waren er ook
de meest merkwaardige kruistochten, zo bijvoorbeeld in 1234 tegen de boeren in
het bisdom Bremen, die weigerden de kerkelijke tienden te betalen en dus als
heidenen werden beschouwd. Aan deze expeditie nam ook Floris IV, de volgende graaf van Holland deel, die met 12 jaar zijn
vader Willem opgevolgd was. Zelfs na het einde van de kruisvaardersstaten
in 1291 zien we nog zeker 300 jaar lang allerlei kruistochten plaatsvinden,
zowel binnen als buiten Europa.
Hoewel vooral de reliquiën van deze stad een enorme aantrekkingskracht
uitgeoefend schijnen te hebben, werden er uiteraard ook “aardse” rijkdommen
buitgemaakt. Er waren ook Nederlanders van de partij, o.a. ridder Daniël van de Merwede, stamvader van
een geslacht waarvan de in Byzantium verworven rijkdom door 15 byzantijnen (munten) in het familiewapen uitgedrukt wordt.
Van de verworven weelde zou men bij de financiering van inpolderingen in
Holland, waar Daniëls broer dijkgraaf van de Groote Waard geweest zou zijn, wel
eens geprofiteerd kunnen hebben...
Wie een
heiligenkalender bekijkt, komt met wat geluk zijn voornaam tegen en kan zijn
naamdag quasi als tweede verjaardag vieren. Nu is het voor mensen met namen als
Johannes, Jacobus of Arnoldus vrij eenvoudig een heilige te vinden. Maar ook
als je Lijntje heet, een naam die van Cathelijntje
schijnt te komen, wat een synoniem van Catharina is, vind je verschillende
heiligen. Zelfs met de naam Plony als afkorting van
Apollonia kom je op een 2e eeuwse
martelares.
Bij de
protestanten kennen we geen heiligen meer, we kennen ze hoogstens van vroeger.
Ze staan echter op zo’n hoog voetstuk, dat we ze nauwelijks als mensen van
vlees en bloed beschouwen. Toch waren sommige gewoon getrouwd en hadden
kinderen. Ook nu nog zijn er veel nakomelingen van heiligen te vinden, van
sommige wel millioenen. Veel genealogen komen na lang
zoeken op Karel de Grote als (niet heilige) voorvader en zijn daarmee tevreden.
Maar wie doorzoekt stuit ongetwijfeld op verschillende heiligen, in zijn/haar
voorgeslacht.
Arnulf kreeg zelfs
nog een heilige schoondochter: Begga, dochter van hofmeier Pepijn de Oude. Ze ging als
weduwe in het klooster, en wel in het door haar moeder gestichte klooster
Nijvel. Van daaruit stichtte ze zelf een nieuw klooster in Andenne, waarvan zij
abdis werd. Kerkelijke feestdag 17 december.
In tegenstelling
tot de kerkelijke ambten, lijken heilige vrouwen niet minder talrijk te zijn
dan mannen, misschien omdat ze meer kans kregen een heilig leven te voeren.
Zo’n vrouw was Adelheid van Bourgondië,
in 962 te Rome tot keizerin gekroond als echtgenote van Otto de Grote. Zij
bevorderde de ontwikkeling van het Duitse kerkwezen en stichtte als weduwe
talrijke kloosters. In 1097 werd ze heilig verklaard, haar graf in Selz (Elzas) werd een bedevaartsoord, maar ook in Einsiedeln werd ze vereerd. Kerkelijke feestdag 16 december.
Ook Adelheids schoonmoeder, Mathilde van Ringelheim van
Westfalen, koningin van
Duitsland, was een heilige. Mathilde zou in het klooster Herford
door haar grootmoeder zijn opgevoed, die abdis van dit klooster was. Zij stamde
uit het geslacht van de Saksenhertog Widukind en
stichtte de kloosters Quedlinburg, Nordhausen, Engern en Pölde. Haar vrijgevigheid als weduwe leidde waarschijnlijk
tot haar heiligverklaring.
Ook Ida van Neder-Lotharingen, de vrouw van
graaf Eustachius II van Boulogne, wordt als heilige vereerd, naamdag 13 april.
Zij schonk na de dood van haar man haar bezit aan kloosters en kerken en
ondersteunde vooral de Benedictijnenabdij St-Vaast in
Arras (Atrecht), waar ze in 1113 begraven werd.
Nog dichter bij
huis is graaf Arnulf van Holland te noemen, die in 981
sneuvelde tegen de Friezen aan de Maasmonding en werd bijgezet in de door zijn
ouders gestichte abdijkerk te Egmond. Hier werd hij later om onduidelijke
redenen als heilige vereerd.
Eveneens
merkwaardig is hertog Willem X van
Aquitanië, die in 1137 op een pelgrimstocht naar Santiago de Compostela overleed, waarna troubadours klaagzangen op zijn
dood schreven. Om hem ontstonden veel legenden, met het gevolg dat hij 500 jaar
later heilig verklaard werd.
Ook Adèle Capet, de
vrouw van graaf Boudewijn V van Vlaanderen, ging als “de Heilige” de
geschiedenis in. Hoewel ze het klooster Mesen bij Ieper stichtte, is niet
duidelijk of ze werkelijk heilig verklaard werd. Was het misschien een bijnaam om
duidelijk te maken dat ze haar vader, Robert de Vrome van Frankrijk, in
vroomheid overtrof?
Een andere
kloosterstichter was palsgraaf Ezzo van Lotharingen,
ook bekend als Ehrenfried, die in 1024 als stichter
en voogd van de abdij Brauweiler wordt vermeld. Hij
wordt officieel heilig verklaard met zijn overlijdensdag,
de 21e mei, als gedenkdag.
Rusland heeft
zijn heilige Olga, die in 957 in
Constantinopel werd gedoopt en als eerste Christelijke Russische vorst(in)
heilig verklaard werd. Maar ook haar kleinzoon Wladimir van Kiev, die de gehele bevolking van Kiev tot aan de
rivier de Dnjepr gedreven zou hebben voor een massadoop, werd heilig verklaard,
kerkelijke feestdag 15 juni.
Hongarije vereert
zijn koning Ladislav de Heilige (1040-1095), grondvester
van het Christelijke staatswezen aldaar, die de heiligverklaring van zijn
voorganger Stephanus bewerkte en zelf in 1192 tot deze eer kwam. Ook zijn
dochter Eirene, gehuwd met keizer Ioannes
II Komnenos Dukas van
Byzantium, ging met het bijvoegsel “de Heilige” de geschiedenis in.
Noorwegen heeft
als beschermheilige zijn koning Olav,
die na zijn doop in 1014 missionarissen in het land riep, kerken liet bouwen en
degenen die de doop weigerden bestrafte. In de ter zijner ere
gebouwde Dom van Trontheim worden nog steeds de
Noorse koningen gezalfd.
Patrones van
Schotland is de 11e eeuwse koningin Margaretha de Heilige, die probeerde
het religieuze leven te reformeren en oude Keltische gebruiken af te schaffen.
Zij stichtte de abdij van Dunfermline en werd 1251
heilig verklaard, naamdag 10 juni. Maar ook David I, koning der Schotten in de 12e eeuw, wordt “de Heilige”genoemd. Misschien omdat hij de abdijen van Melrose, Kelso, Dryburgh en Jedburgh stichtte.
Reginlinde was 2
maal getrouwd, eerst met Burchard II, later met Herman I, beide hertogen van Schwaben. Merkwaardigerwijze vond ik naar beide huwelijken
verschillende afstammingslijnen. Daar zowel mijn beide ouders als beide
schoonouders van deze Reginlinde als verre voormoeder
bleken af te stammen, kan dit geen toevallige uitzondering zijn. Een
aanzienlijk deel van de huidige bevolking zal van deze vrouw afstammen. Dit
verschijnsel doet zich voor, als je lang genoeg terug gaat in de tijd, van Adam
stammen we immers ook allemaal af.....
De oude
bisschopsstad Utrecht was altijd een stad van kerken, ook nu nog – hoewel er
nogal wat gesloopt zijn – wordt het stadsbeeld door kerkgebouwen beheerst. De
Domkerk in het midden, met zijn door een storm veroorzaakte scheiding tussen de
Domtoren en de kerk, kent waarschijnlijk iedereen. Minder bekend is wellicht
het Utrechtse kerkenkruis, een ensemble van 5 kerken,
die geografisch met elkaar een kruis vormden. De Pieterskerk vormt het
hoofdeinde, de afgebroken Mariakerk het voeteinde, terwijl de dwarsbalk gevormd
wordt door de Janskerk en de inmiddels verdwenen Paulusabdij. Op het snijpunt
van beide balken staat de Domkerk. Wie komt er nu op het idee, zo’n combinatie
van kerken neer te zetten?
De Utrechtse
bisschoppen waren niet alleen kerkvorsten maar ook wereldse heersers, zo
heersten ze over het Sticht, maar ook over het Oversticht,
d.w.z. van Overijsel tot Groningen. De keizers hadden een voorkeur voor
bisschoppen als vasal, omdat ze dan zelf hun
vertrouwensmannen voor die functie konden benoemen. Op graven of hertogen
daarentegen had de keizer minder invloed, die hielden door de erfopvolging de
macht in hun familie. De vertrouwensverhouding tussen keizer en bisschop was dan
ook vaak eng, geen wonder dus dat de keizers zo nu en dan ook Utrecht
bezochten. Vanaf het midden van de 11e eeuw konden ze er zelfs in het speciale
paleis “Lofen” vertoeven. Zo bracht ook keizer Koenraad I van Frankenland in 1039 een
bezoek aan Utrecht, waar hij echter tijdens het Pinksterfeest onverwacht
overleed. Daar hij zo ver van huis stierf, werd besloten zijn hart in het koor
van de Utrechtse Domkerk bij te zetten, terwijl zijn stoffelijk overschot later
thuis in de Dom van Speyer begraven werd.
Hendrik toonde in
ieder geval meer respect voor zijn vader, dan voor de paus. Hij zette namelijk
twee elkaar bestrijdende pausen af en benoemde zelf een paus, die hem tot
keizer van het Heilige Roomse Rijk kroonde. Zijn zoon Hendrik IV zette de traditie voort en voerde de zgn.
investituurstrijd tegen de paus om de benoeming van bisschoppen in eigen hand
te kunnen houden. Hij trok daarbij blijkbaar toch aan het kortste eind, gezien
zijn bekende gang naar Canossa, waar de paus hem drie
dagen met zijn vrouw in de sneeuw zou hebben laten wachten....
Speyer ligt
ongeveer midden tussen onze twee “vaderlanden” Nederland en Zwitserland, twee
landen die in die tijd tot hetzelfde rijk behoorden, iets wat tegenwoordig de
EU nog niet voor elkaar gekegen heeft. Zonder de
Zwitserse voorgeschiedenis waren de Salische Frankenvorst Koenraad I en zijn
nakomelingen waarschijnlijk nooit zover gekomen. Zoals zoveel mannen ontleende
Koenraad zijn invloed voor een groot gedeelte aan zijn vrouw, Gisela van Schwaben.
Zij was niet alleen hertogin van Schwaben, maar ook
erfdochter – via haar moeder Gerberga van Bourgondië – van de Rudolfingers, die o.a. over West-Zwitserland regeerden.
Daardoor kon haar man Koenraad zijn kinderloze zwager Rudolf III na diens dood
opvolgen en zich in 1033 in Payerne tot koning van
Bourgondië laten kronen. Een jaar later liet hij zich nog in Genève huldigen,
waarna het hele Zwitserse grondgebied tot het rijk van Koenraad I behoorde.
Onder Rudolf II wordt het rijk nog
aanzienlijk uitgebreid, waarna o.a. ook Soluthurn,
Bern, Savoye en de belangrijke Alpenpassen erbij
horen. Zijn zoon en opvolger Koenraad de
Vreedzame, in 937 gekroond tot koning van dit “Arelatische
rijk” te Lausanne, zien we in 968 privilegiën verlenen aan het klooster Moutier-Grandval in het Balsthal.
Diens opvolger Rudolf III
– zoals gezegd de laatste Rudolfinger –
schenkt in 999 het graafschap Wallis aan de bisschop van Sion en diens
opvolgers, waardoor deze bisschoppen vorsten van het Heilige Roomse Rijk
worden. Hier is het verhaal rond, Wallis kwam daarmee in dezelfde situatie als
Utrecht, met een bisschop als werelds heerser.
En dit alles kwam
35 jaar later onder de oppermacht van Koenraad
I, die door zijn huwelijk het rijk van de Rudolfingers
erfde en wiens hart op zo wonderbare wijze midden in het kerkenkruis
van Utrecht terecht kwam, en daar nog steeds bewaard wordt....
Soms kom je
onverwachte parallellen tegen, in dit geval tussen de steden Utrecht en Trier.
In beide steden regeren vier generaties lang schepenfamilies met de voornaam
Jacob. In Utrecht kennen we het geslacht Van Lichtenberch, dat tussen 1246 en 1320 telkens van vader
op zoon schepenen met de naam Jacob leverde. Als stamvader geldt Jacob (I)
Johannesz van Vloitstale, die zich nog geen Lichtenberch noemt. Hij wordt o.a. in 1246 vermeld als:
Jacobus civis Trajectensis,
filius Johannis de Vloitstale. We zien hem als schepen van Utrecht tussen 1246
en 1260. Zijn zoon, Jacob (II) heer Jacobszoon, is erfschepen van
Utrecht in 1286/90. Hij wordt meestal vermeld als Jacob haren Jacobssone en zegelde met randschrift S JACOBI FIL JACOBI
CIVIS TRAJECT. De volgende Jacob noemt zich Jacob (III) van Lichtenberch, naar het huis Lichtenberch
onder Woudenberg gelegen. Hij wordt vanaf 1293 als erfschepen van Utrecht
vermeld. Dan volgt een vierde Jacob: Jacob (IV) Jacobsz
van Lichtenberch, ridder 1305, heer van
Rijnauwen, Lichtenberch en Vinnigen.
Hij wordt tussen 1311 en 1320 als schepen van Utrecht vermeld. Viermaal na
elkaar een Jacob als (erf-)schepen van de stad Utrecht.
Naar Jacob van Lichtenberg werd genoemd de Lichtenberger partij te
Utrecht, vergelijkbaar met de Hoekse partij in Holland, die in 1299 de bisschop
gevangen zette in het huis Lichtenberg, een deel van
het latere stadhuis.
In Trier komen we tussen 1276 en 1383 eveneens viermaal een Jakob als
schepen (Schöffe) van de stad tegen en wel uit de
familie Tristant. De 14 schepenen van deze
stad kregen in het begin van de 13e eeuw steeds meer macht en hadden een
meerderheid in het bestuur. Ruim een eeuw later werd die macht gedeeld met een
gelijk aantal vertegenwoordigers van de gilden en van de gemeente. Tussen 1276
en 1292 bekleedt Jakob (I) der Ältere het ambt
van schout (Schultheiss), daarna was hij nog een paar
jaar schepen. Dan volgt zijn zoon Jakob (II) der Jüngere,
in 1292 vermeld als Jakob, schepen in Trier, zoon van schepen wijlen schout
Jakob en schoonzoon van ridder Ludwig von der Brücke. Jakob woonde volgens een oorkonde van 1296 in de Jakobstrasse (platea Jacobi).
Vervolgens zien we diens zoon Jakob (III) Tristant,
vermeld tussen 1292 en 1311 te Trier. Hij wordt zelden in de akten genoemd, in
tegenstelling tot zijn enige zoon, Jakob (IV) Tristant.
Deze is schepenmeester (Schöffenmeister) te Trier, vermeld tussen 1351 en 1383. Het
ambt van schepenmeester werd later vervangen door dat van burgemeesters.
De naam Tristant werd door de eerste generaties nog niet als
familienaam gevoerd; het was
oorspronkelijk een voornaam, die later tot familienaam werd. Mogelijk
betreft het een tak van de Trierse ministerialenfamilie Von Oeren.
Verrassenderwijze
bleken ook een paar niet zo erg verre verwantschappen met het huis van Oranje
aanwezig te zijn. Hiervoor is het niet nodig naar verre voorouders als Walram van Nassau of Jan I van Polanen terug te gaan, er
zijn beduidend kortere verbindingen.
|
Willem V von Bernsau (-1575) maarschalk, heer van Hardenberg, ambtman van Solingen |
|
|
I Margarethe von Bernsau I Johann Wilhelm van
Efferen I Agnes van Efferen I Elisabeth Charlotte Melander I Charlotte van Nassau‑Dillenburg I Victor I v. Anhalt‑Bernburg-Schau I Carel I v. Anhalt‑Bernburg-Schau I Victor II v. Anhalt‑Bernburg-Schau I Emma van Anhalt‑Bernburg‑Schau I George van Waldeck‑Pyrmont I Emma van Waldeck‑Pyrmont I Wilhelmina van
Oranje-Nassau |
I Heinrich Bernsau I Maria Bernsau I Anna Katharina Spieker I Johann Gottfried Üllenberg I Engelbert Üllenberg I Johannes Engelbertus Ullenberg I Elsje Ullenberg I Johannes Engelbertus
la Verge I Pietronella Margaretha la Verge I Evertje den Boesterd I Gijsbert Marius van Wijgerden I Plony Nel Margrete
van Wijgerden |
(blauw
= adel)
Merkwaardigerwijze
stammen behalve koningin Emma ook prins Bernhard en prins Claus van Willem V von Bernsau af. En wel prins
Bernard via Willems zoon Wilhelm VI von Bernsau, terwijl de lijn van prins Claus via Willems
dochter Maria von Bernsau
loopt. Een drievoudige relatie dus tussen van Wijgerden en Oranjes-Nassau via 4
verschillende kinderen van Willem V von Bernsau.
|
Willem
Roelofs van Dalem (-1422) & Sophia van Salm |
|
|
I Jan van Dalem van
Dongen I Beatrix van Dalem van
Dongen I Claes
van Assendelft I |
I Roelof van Dalem van
Dongen I Jan van Dalem gen. van Dongen I Peter Janse van Dongen I |
|
Dirk van Assendelft I Anna van Assendelft I Adriana von Beieren
Schagen I Hermann von Wittenhorst I Friedrich v. Wittenhorst
Sonsfeld I Albertine
v. Wittenhorst Sonsfeld I Friederike von Marwitz I Otto von Schonburg Waldenburg I Otto von Schonburg Waldenburg I Mathilda v. Schonburg Waldenb. I Marie v. Schwarzburg Rudolstadt I Hendrik v. Mecklenburg Schwerin I Juliana van Oranje
Nassau |
Marie van Dongen I Christoffel Peter van Ghilse I Hendrick Stoffels van Gils I I Alida van Gils I Adriaan Dircks Oerlemans I Dirk Adriaans Oerlemans I Jan Dirks
Oerlemans I Adriana Jans
Oerlemans I Pieternella Mol I Bastiaan Zuiderent I Aart Zuiderent I Jacob Bastiaan Zuiderent |
Een verwantschap
met burgerlijke aangetrouwden van de Oranjes ligt uiteraard meer voor de hand. Zo
zijn er via Doen Beijens (-1515) verwantschappen met Pieter van Vollenhoven en
met zijn schoondochter Marylene van den Broek (zie
page Roobol
Een veel kortere
lijn was te vinden bij Mabel Wisse Smit, de vrouw van Johan Friso van Oranje Nassau. De gemeenschappelijke voorouders zijn de
landbouwer Abraham Meeldijk, heemraad van Klein Zuid-Beijerland 1784-1796,
dijkgraaf 1796-1829 en zijn vrouw Maria Roest.
|
Abraham Meeldijk
(1754-1831) & Maria Roest |
|
|
I Pietertje Meeldijk I Abraham Bakker I Adriaantje Bakker I Jacoba de Graaf I Martinus Los I Hendrik Cornelis
Los I
Mabel M. Wisse Smit *) & Johan
Friso van Oranje Nassau |
I Dirk Meeldijk I Aaltje Meeldijk I Andries Bijl I Aaltje Bijl I Bastiaan Baars I Aaltje Baars I Plony N.M. van Wijgerden |
*) Mabel nam de naam van haar stiefvader aan.
Opmerking: De diverse
bronnen die voor deze gegevens gebruikt zijn, vindt men bij de betreffende
(vetgedrukte) personen in de kwartierstaat.
Jan. 2006, Arnold
Zuiderent